SER is `een schuilkelder voor de regering'

De Sociaal-Economische Raad krijgt als `belangrijkste adviesorgaan van de regering' vaak kritiek, vooral van liberalen.

Een baal hooi die alles afremt, heeft oud-premier Ruud Lubbers (CDA) de Sociaal-Economische Raad (SER) wel genoemd. En voormalig VVD-leider Frits Bolkestein noemde de raad ,,een schuilkelder voor de regering.'' Politici, vooral van liberale snit, hebben vaak moeite met het adviesorgaan dat de regering adviseert over sociaal-economische onderwerpen. Het bestaan van de SER is volgens deze bewindslieden een bedreiging voor het uitgangspunt dat de politiek zelf zijn beleid bepaalt, en daar niet met sociale partners over hoeft te onderhandelen.

Niet onbegrijpelijk, gezien de SER-taakomschrijving van werkgeversvoorman Hans Blankert in 1998, tijdens de formatie van Paars II. ,,Wij schrijven regeerakkoorden.'' Blankert presenteerde toen samen met oud-FNV-voorzitter Lodewijk de Waal een akkoord over de sociale zekerheid dat de formateurs van het tweede paarse kabinet volgens hen zó konden overnemen. In de visie van sociale partners is regeringsbeleid zonder steun van de maatschappelijke organisaties niet efficiënt.

Het organiseren van die steun was de ontstaansreden van de SER. De raad is opgericht in 1950 om het economisch herstel van Nederland na de Tweede Wereldoorlog in goede banen te leiden. En waarin naast werknemers en werkgevers ook onafhankelijke leden zitten. De doelstelling van de raad is drieledig: het streven naar evenwichtige en duurzame economische groei, een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie en redelijke inkomensverdeling.

Juist die wederzijdse afhankelijkheid tussen politiek en het bedrijfsleven zoals vertegenwoordigd in de SER, is reden voor groeiende kritiek. Tien jaar geleden leidde dit tot een fundamentele discussie over wat nog steeds vaak `het belangrijkste adviesorgaan van de regering' wordt genoemd. Liberale politici wilden af van de plicht voor de regering om over alle maatregelen op sociaal-economisch terrein, inclusief de hoofdlijnen van het beleid, advies te vragen aan de SER. Toenmalig VVD-leider Bolkestein, dat de vakbeweging en werkgeversorganisaties publieke functies bekleedden. ,,Dat hoort niet.'' Hij pleitte zelfs voor afschaffing van de raad.

De tegenstanders van de `corporatistische cultuur' van de SER zien niets in het argument dat maatschappelijk draagvlak dat wordt bereikt door SER-overleg, het overheidsoptreden effectiever maakt. Draagvlak is in hun ogen een parlementaire meerderheid, meer niet.

Toenmalig voorzitter Quene noemde dat standpunt toen ,,naief''. Om goede besluiten te nemen, is samenspel tussen publieke en private organisaties nodig, zei hij toen. ,,Anders leef je te veel in de wereld van het Binnenhof en te weinig in die van het land.''

De advies-verplichting verdween, en sindsdien moet de SER het van de kwaliteit, tijdigheid én unanimiteit van zijn beslissingen hebben. Dat heeft niet geleid tot een afname van het aantal beleids-adviezen, blijkt uit onderzoek.

Toch is de stemming veranderd. Sinds de Fortuyn-revolte heerst er een afkeer van (de schijn van) achterkamertjes-overleg, en daar lijdt ook de verhouding tussen dit kabinet en de SER onder. De relatie bereikte een dieptepunt toen minister De Geus (Sociale Zaken, CDA) op belangrijke onderdelen het WAO-advies van de SER niet overnam.

Toch was het dit advies dat een politieke doorbraak bij de WAO mogelijk maakte. Misschien heeft dit kabinet daar lering uit getrokken. Het recente SER-advies over de WW, waarin vertegenwoordigers van de vakbeweging akkoord gingen met beperking van de duur van de uitkering, werd door de politiek in ieder geval dankbaar omarmd.