Den Haag moet Brussel incorporeren

Voorstellen uit Brussel die belangrijk of controversieel blijken te zijn voor ons land, moeten vroegtijdig in het parlement besproken worden, vindt John van Lissa.

De Nederlandse nee-stem bij het referendum op 1 juni over het Europees Grondwettelijk Verdrag maakte voor alles duidelijk dat een meerderheid van de burgerij vindt dat de politiek anders met Europa moet omgaan. Dat bleek ook uit het in september gepresenteerde onderzoek dat in opdracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken was verricht naar de vraag hoe de bevolking wil dat de politiek met Europa omgaat. Mensen willen bijvoorbeeld zo vroeg mogelijk worden geïnformeerd over ophanden zijnde Brusselse wetgeving met een grote potentiële invloed op het dagelijks leven, alsmede democratische controle op de besluitvorming daarover, aldus twee van de conclusies.

De Tweede en Eerste Kamer buigen zich morgen over een nieuwe werkwijze aangaande `Europa', maar plannen hiertoe lijken onvoldoende recht te doen aan de enorme invloed van de EU op onze nationale wet- en regelgeving en dragen te weinig bij om de afstand van de burger tot Europa te verkleinen.

Zo wil het parlement volgend jaar een soort subsidiariteitstoets invoeren. Daarbij wordt bekeken of wetgevingsvoorstellen uit Europa wel nodig zijn of dat een onderwerp beter nationaal kan worden geregeld.

In het verlengde hiervan wil men jaarlijks tien onderwerpen selecteren die inhoudelijk worden besproken. Maar er moet niet alleen worden gekeken naar de subsidiariteit. Zeker zo nodig is dat het parlement een solide oordeel vormt over het belang van een voorstel voor Nederland, de vraag of het controversieel ligt en de proportionaliteit (verhouding doel en middelen; zijn er betere alternatieven?). Alle 200 voorstellen die Brussel jaarlijks produceert, zouden op deze bredere manier getoetst moeten worden.

Voorstellen die het predikaat `belangrijk' of `controversieel' krijgen of waarbij de subsidiariteit of proportionaliteit vragen oproept, zouden vroegtijdig in het parlement moeten worden besproken. Zo krijgt de nationale politiek waarlijk greep op Europa.

Een nationale toets brengt Europa alleen dichterbij de burgers als alle belanghebbenden (a) tijdig en zonder onderscheid goed worden geïnformeerd over Europese voorstellen, (b) invloed kunnen uitoefenen op de beslissing van het parlement welke voorstellen het bespreekt en (c) bij bespreking in het parlement een vergelijkbare inbreng kunnen leveren als bij puur nationale onderwerpen. Anders levert de nieuwe toets wel de nationale politiek meer greep op Europa op, maar schieten burgers er niets mee op.

Iedereen tijdig en goed informeren kan door de kwaliteit van de zogeheten fiches (een ambtelijke analyse van elk Europees voorstel plus het Nederlandse standpunt) voor de Kamer verder te verbeteren en ze sneller (in vaste termijnen) en breder (speciale website, Staatscourant) te verspreiden. Vervolgens zouden alle belanghebbenden twee maanden de kans moeten krijgen om er desgewenst schriftelijk op te reageren. Parallel aan het politieke debat kan dan een maatschappelijk debat plaatsvinden. Bijkomend voordeel is dat de kwaliteit van de analyse verbetert door alle belanghebbenden er tijdig bij te betrekken.

Om het geheel behapbaar te maken, zou het parlement het voorwerk kunnen `delegeren' door een onafhankelijk lichaam in te stellen, dat alle reacties verzamelt en binnen twee weken na afloop van de inspraaktermijn een advies opstelt voor de Kamer. Dit lichaam zou alle voorstellen kunnen beoordelen op de eerder genoemde dimensies voor een brede toets. Voor de onafhankelijkheid zou een dergelijk lichaam het best kunnen worden ondergebracht bij de Tweede Kamer of bij de Raad van State. Zijn advies zou het begin kunnen vormen van een soort voorhangprocedure, waarbij een voorstel alleen wordt besproken wanneer één van beide Kamers binnen bijvoorbeeld zes weken daartoe besluit.

Een dergelijke proactieve aanpak levert tijdwinst op. Er hoeft minder aandacht te worden besteed aan de besluitvorming achteraf over het in de nationale wetgeving verwerken van Brusselse richtlijnen (implementatie).

Europa is binnenlandse politiek: veel van onze nationale wetgeving komt uit Brussel. Het is daarom van cruciaal belang dat het politieke debat in het parlement over voor Nederland belangrijke of controversiële voorstellen van de Europese Commissie naar voren wordt gehaald.

John van Lissa heeft zich vanuit overheid en brancheorganisaties 16 jaar intensief beziggehouden met Europa en is public affairs consultant in Den Haag.