Bommen en handgranaten leren gooien in de woestijn

Een reis naar Zuid-Jemen van dertig jaar geleden zorgde deze week voor politieke ophef. Linkse activisten bekwaamden zich daar in stadsguerrilla. ,,Het moest wel leuk blijven.''

Een kaal huis in de woestijn, met verderop nog wat gebouwtjes. De muren zijn kapotgeschoten. Voormalig RAF-lid Peter-Jürgen Boock wijst feilloos aan welk wapen welk gat heeft veroorzaakt. Het trainingskamp voor stadsguerrilla's zag er dertig jaar geleden eigenlijk net zo uit, zegt hij in de documentaire De rode jaren – waren wij terroristen? van Leo de Boer. Vrijdag ging de film in première op het documentairefestival IDFA.

In juli 1976 bezocht een groep van vijftien Nederlanders een trainingskamp van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) in Zuid-Jemen. Onder hen was naar alle waarschijnlijkheid de huidige GroenLinks-senator Sam Pormes, constateerde een onderzoekscommissie van GroenLinks begin vorige week. Er zijn althans ,,voldoende feiten en omstandigheden die de aannemelijkheid van zijn deelname kunnen dragen'', aldus de commissie. Pormes ontkent in Zuid-Jemen te zijn geweest.

Deelname aan de Jemenreis is geen strafbaar feit. GroenLinks wilde vooral weten of Pormes hen altijd naar waarheid en volledig heeft geïnformeerd over zijn verleden. Nee, zegt de commissie na onderzoek naar vier omstreden gebeurtenissen uit Pormes' verleden. De politicus zou ook betrokken zijn geweest bij de treinkaping bij De Punt in 1977. Vooralsnog weigert hij zijn zetel in de Eerste Kamer op te geven.

De rode jaren geeft een verrassend beeld van het politieke klimaat in Nederland van begin jaren zeventig. Geweld hoorde daarbij. Linksradicalen lieten circa 25 bommen ontploffen. Er vielen geen slachtoffers, maar het was meer dan dreiging. De activist Lucien van Hoesel kreeg twee jaar cel omdat hij bommateriaal in bezit had. De intentie om een aanslag te plegen was destijds voldoende. De film toont ook het denken van activisten die met geweld het kapitalisme wilden ondermijnen. Een handvol leden van de Rode Jeugd, een enkeling nog steeds gehuld in Che Guevara-shirt, vertelt in de film over de idealen en acties van toen. Zonder al te veel spijt, zo lijkt het, maar wel met enige verbazing.

Het was niet makkelijk om de oud-activisten aan het praten te krijgen, zegt scenarist en researcher Hans Dortmans. Hij wist bijna alle vijftien deelnemers aan de Jemenreis terug te vinden. Slechts twee van hen waren bereid om aan de film mee te werken. Twee anderen blijken zelfs de krant te mijden. Omdat mensen te snel de link leggen met terrorisme van vandaag, zegt Annie Westebring uit Groningen. ,,Bel over tien jaar maar terug.'' De echtgenote van Evert van den Berg, tegenwoordig communicatieadviseur in Eindhoven: ,,U bent verkeerd en hoe komt u aan dit nummer?''

De harde kern van extreemlinks, de groep die het geweld niet schuwde, bestond uit 150 à 250 mensen, is de schatting van journalist Antoine Verbij, in zijn dit voorjaar verschenen boek Tien rode jaren. Links radicalisme in Nederland 1970-1980. Hij schetst de verharding van allerlei sektarische clubjes, na de aanloop met Provo en de studentenbeweging in de jaren zestig. Een van die clubs was de maoïstische Rode Jeugd. Aanvankelijk was de Amsterdamse tak nog vrij frivool, maar na toetreding van de Eindhovense tak werd de sfeer grimmiger. De blik was internationaal, vol bewondering keek men naar de Rote Armee Fraktion. Een bom bij het Evoluon moest Philips weerhouden van banden met het Griekse kolonelsregime.

Tekenend voor de `polderextremisten', zoals Verbij ze noemt, lijkt de discrepantie tussen ferme taal en bescheiden actie. In theorie waren alleen kinderen onschuldig, zegt een Haags lid van de Rode Jeugd. Maar toen er vrijwilligers moesten komen voor een bankoverval, stak niemand zijn hand op.

Zo heeft ook de deelname aan het trainingskamp iets dubbelhartigs. Enerzijds was gastheer PFLP van George Habash en Leila Khaled verantwoordelijk voor tal van vliegtuigkapingen en aanslagen. De instructeurs waren RAF-leden, evenmin onbekend met `echte' terreur. Anderzijds was de Nederlandse delegatie niet bepaald ingesteld op een commandotraining. Er waren zes stelletjes, slechts drie deelnemers waren alleen. De reis was geboekt bij studentenreisbureau NBBS.

Mirjam van Hoesel-Lucassen, weduwe van Lucien van Hoesel, verwoordt het mooi in De rode jaren: ,,We wilden best wat leren, maar het moest wel leuk blijven.'' Meer dan over de strijd hadden ze het over die vervelende Duitsers. Die leerden hen hoe ze bommen moesten maken, en handgranaten moesten gooien. Van Hoesel: ,,We hebben nooit het idee gehad dat het echt was. Het zou nuttig kunnen zijn in de toekomst, maar we legden geen link met het toepassen op mensen.'' Verblind door de eigen overtuiging realiseerden ze zich niet waar ze mee bezig waren.

Terug naar Sam Pormes. Was hij de Molukker `Eli' in Zuid-Jemen? Evert van den Berg en Annie Westebring zeggen van wel, respectievelijk in een verklaring uit 1988 en tegen de onderzoekscommissie van GroenLinks. Ook anderen bevestigen zijn reis. In de loop der jaren heeft Pormes wisselende verklaringen afgelegd over waar hij was in de zomer van 1976. Een sluitend alibi heeft dat niet opgeleverd.

Misschien had minister Van Agt van Justitie gelijk, toen hij een paar dagen na de Molukse acties van mei 1977 beweerde dat er banden waren tussen Zuidmolukse jongeren en de Rode Hulp, de opvolger van de Rode Jeugd. Uit NRC Handelsblad van 27 mei 1977: ,,Het Bredase meisje Ludwina Janssen heeft verklaard in Zuid-Jemen te zijn geweest met een groep Nederlanders, onder wie ook een Zuid-Molukker die Eli zou heten. Volgens goed ingelichte justitiële kringen zou deze jongen echter een zeer ondergeschikte rol hebben gespeeld bij het gezelschap, dat verder bestond uit leden van de voormalige Rode Hulp.'' Pormes geeft geen uitsluitsel; zelfs een ondergeschikte rol ligt dertig jaar na dato nog te gevoelig.

De rode jaren - waren wij terroristen? is op het IDFA te zien op 28 nov (18.00, City 5) en 2 dec (10.00, City 6) en later op tv bij de IKON.