Vechtsport

Gedisciplineerd op elkaar inhakken met een zwaard van gespleten bamboe. Om zo in een staat van verlichting te geraken. Dat is kortweg het doel van de vechtsport ken(zwaard)do(weg). Oorspronkelijk en al weer vele eeuwen geleden werd het zwaardvechten, kenjutsu, onderwezen aan Japanse krijgsedellieden met de welluidende naam samurai. Nadat ze voorgoed van het krijgstoneel waren verdwenen, werd hun vechtkunst nog eeuwenlang beoefend door soldaten en burgers. De oorspronkelijk metalen zwaarden werden voorzichtigheidshalve vervangen door die van bamboe of hout, de naam van de vechtsport werd de vorige eeuw in kendo veranderd. Zondagmorgen, een sporthal in het verlaten ogende Vlaardingen. Binnen wordt de ruimte gevuld met babygehuil, orgastisch gillen en vogelgekrijs. De wedstrijddeelnemers laten zich door niets en niemand tegenhouden om zich luidkeels te uiten en tegelijkertijd blootsvoets op de tegenstander in te hakken. Dit is visueel een prachtige sport; de deelnemers, onder wie opvallend veel vrouwen, zijn gehuld in intrigerende donkerblauwe, soms witte rokken en hemden met lange mouwen, dragen helmen met beschermende flappen over schouders en keel. Het masker is van staal, de soms prachtig bewerkte borstbeschermers zijn gemaakt van leder of plastic. Ondanks het fysieke geweld binnen de lijnen is de sfeer naast de mat tussen beginners en gevorderden uitgesproken ontspannen.

Dit is de tweede aflevering van een serie over vechtsporten.