Van Peter R tot Provo

cULTUUR. tijdschrift voor etnologie, jaargang 1 (2005) nr. 1; 160 blz.; uitgave van stichting europese etnologie; abonnementenadministratie: europese bibliotheek, postbus 49, 5300 aa Zaltbommel; tel. 0418-513144; prijs per los nummer €17,50; abonnementsprijs voor een jaargang €29,50.

DE AFGELOPEN jaren is in het Nederlandse tijdschriftenlandschap een koude sanering doorgevoerd. Ook op het gebied van volkscultuur is het tot een herschikking gekomen. Nadat al in 2000 afscheid was genomen van het vanaf 1975 verschenen Volkskundig Bulletin – de perikelen rond de start van dit tijdschrift zijn door J.J. Voskuil in Het Bureau beschreven – en een jaar later de uitgave van het Jaarboek van het Nederlands Openluchtmuseum beëindigd werd, duurde het tot afgelopen zomer eer de opvolger van beide periodieken op feestelijke wijze in Brussel ten doop gehouden kon worden: cULTUUR.

In het eerste nummer staat al een goed voorbeeld van een bijdrage waarin niet met de wolven in het bos wordt meegehuild: het artikel van mediawetenschapper en etnoloog Stijn Reijnders over onze `rechercheur van het volk', Peter R. de Vries. In alle Nederlandse kwaliteitskranten – er worden voorbeelden aangehaald uit Trouw, de Volkskrant, Het Parool en NRC Handelsblad – maken journalisten zich zorgen over de bedenkelijke richting die Peter R. de Vries met zijn misdaadprogramma is ingeslagen. Ten behoeve van zo hoog mogelijke kijkcijfers zou hij `uit nodeloze sensatiezucht de eer en goede naam van mensen door het slijk halen', `een gevaarlijke vorm van entertainment' in een journalistiek jasje verpakken, of slechts een `circusnummer' opvoeren. Columnist Frits Abrahams ziet Peter R. de Vries als dé representant van een afkalving van professionele waarden, een vorm van journalistiek gebaseerd op stunten, ongeverifieerde geruchten en speculaties.

Stijn Reijnders, die volgend jaar op het onderwerp promoveert aan de Universiteit van Amsterdam, vraagt zich af of we met Peter R. de Vries werkelijk met een (verontrustend) nieuw fenomeen te maken hebben of dat het programma niet meer is dan oude wijn in nieuwe zakken. Hiertoe vergelijkt hij, op het niveau van narratieve structuur, thematiek en moraal, dit recente misdaadprogramma met verschillende vormen van negentiende-eeuwse vermaakcultuur. Toen kwam de zware misdaad aan bod in genres als het moordlied, en in populaire weekbladen als Geïllustreerd Politie Nieuws.

Reijnders komt na een uitputtende analyse van de gedrukte negentiende-eeuwse bronnen en de televisiebeelden uit het begin van de eenentwintigste eeuw tot de conclusie dat er veel meer overeenkomsten dan verschillen bestaan. Zo tonen alle genoemde vermaaksvormen een sterke voorkeur voor één bepaald type misdaad: moord of doodslag, waarbij geweldsdelicten onder geliefden of familieleden het meest favoriet zijn. Ook de opbouw en de moraal van het vertelde verhaal zijn vrijwel identiek. Een ander kenmerk dat Peter R. de Vries met zijn negentiende-eeuwse voorgangers gemeen heeft, is de pretentie om op basis van authentieke informatie een zo realistisch mogelijk beeld van de criminele werkelijkheid te geven. `In naam van de waarheid' werden en worden de fysieke aspecten van de gruwelmoord uitgediept. Bovendien, zo merkt Reijnders op, bedienen de vertellers zich van min of meer dezelfde literaire stijlmiddelen. Zonder veel moeite laten deze zich in drie stereotypen rangschikken: het Goede, het Verdriet en het Kwade.

Dat in de hedendaagse etnologie andere vragen gesteld worden dan in de tijd van J.J. Voskuil blijkt uit het verrassende en goed geschreven artikel van Niek Pas. Deze historicus (tevens medewerker van deze krant) promoveerde in 2003 op een proefschrift over de Provobeweging (1965-1967). In zijn bijdrage aan cULTUUR wordt niet de kern van zijn onderzoek samengevat of een kruimel uit zijn materiaal onder het vergrootglas gelegd, maar zet hij de ontvangst van de handelseditie van zijn proefschrift op een rij.

Over aandacht had hij niet te klagen. De wijze waarop in juni 2003 op radio en televisie en in kranten aandacht aan zijn boek besteed werd, sterkt Pas in zijn overtuiging dat Provo is geëvolueerd tot een cliché van de gemythologiseerde jaren zestig. De van oorsprong Amsterdamse actiegroep zag in 1965 het levenslicht, groeide binnen een jaar uit tot een internationaal symbool van revolte, werd in 1967 met veel gevoel voor publiciteit opgeheven en is momenteel, aldus de these van Niek Pas, uitgehard tot een icoon.

Maar hoewel overtuigend is aangetoond dat het jaar 1966 in Nederland het `epicentrum' van de jaren zestig was, vindt er in het collectieve geheugen in toenemende mate een vernauwing tot `1968' plaats. En ondanks het feit dat Provo destijds helemaal niet meer bestond, wordt de beweging steeds meer op één hoop gegooid met de wereldwijde protesten en golven van onrust van ruim een jaar later.

Voor `jonge, wilde honden' die zich op de `herinneringscultuur' willen storten, ligt er nog een groot en bijna maagdelijk onderzoeksveld braak.

De redactie van cULTUUR organiseert op 19 december a.s., bij gelegenheid van het verschijnen van het tweede nummer van dit tijdschrift, in het Meertens Instituut in Amsterdam een symposium onder de titel Culturele dwarsliggers in het erfgoeddebat. De grote bek van kleine c. Inlichtingen: jcw.de.bruijn@planet.nl.