Reclame op publieke omroep moet mogelijk blijven 1

De publieke omroep zou reclamevrij moeten worden, vindt Tweede-Kamerlid Joop Atsma van het CDA (NRC Handelsblad, 21 november). Hij zegt dit in navolging van de SP, GroenLinks, PvdA en VVD, een flinke Kamermeerderheid dus. Maar waarom zou de publieke omroep geen reclame meer mogen uitzenden en daarmee een deel van zijn eigen kosten terugverdienen?

De reden die Atsma in de Tweede Kamer geeft is dat de reclame-inkomsten dalen en dat het daarom beter zou zijn om de huidige 200 miljoen euro aan reclame-inkomsten door de overheid te laten bekostigen. Dit bedrag dat bijna een kwart is van de totale 850 miljoen euro die de publieke omroep jaarlijks kost, zou volgens het CDA weggehaald moeten worden bij andere ministeries. Er moet dus op andere terreinen, zoals milieu of sociale zekerheid bezuinigd gaan worden om de publieke omroep reclamevrij te maken.

Reclame op de publieke omroep bestaat al sinds de jaren zestig en is aan vrij strenge regels gebonden. Zo is programma-onderbrekende reclame niet toegestaan en is er een maximum aantal minuten per uur voor reclame ingesteld dat minder dan de helft is van wat commerciële zenders mogen uitzenden.

De gemiddelde tv-kijker heeft weinig problemen met reclame na afloop van een programma, waar hij zich juist aan stoort is de programma-onderbrekende reclame op commerciële zenders. Als een programma is afgelopen, krijgt de kijker de tijd om even iets anders te gaan doen, zoals een toiletbezoek of een kop koffie zetten.

Reclame op de publieke omroep moet dan ook mogelijk blijven. Het zorgt voor een belangrijke bijdrage aan de totale kosten voor de publieke omroep en ontziet daarmee de belastingbetaler. Daarnaast geeft het de televisiekijker nauwelijks ergernissen zolang de huidige strenge regelgeving voor reclame op de publieke zenders gehandhaafd blijft. Een publieke omroep waarbij de overheid nog meer financiert dan ze nu al doet, is een slecht idee, en slecht voor de inventiviteit van programmamakers.