Ophokplicht voor jihadisten

Samir A. is weer vrijgesproken. Hij werd verdacht van het voorbereiden van een of meer ernstige misdrijven. Daartoe heeft hij opzettelijk voorwerpen, stoffen en/of informatiedragers voorhanden gehad, welke middelen kennelijk waren bestemd tot het begaan van die misdrijven, aldus het openbaar ministerie.

Het Nederlandse strafrecht kent drie verschillende fases, of momenten, toe aan misdrijven: voorbereidingshandelingen (slechts bij ernstige misdrijven), poging, en het voltooide delict. Voor van terrorisme verdachte personen geldt ook een nieuwe fase, namelijk samenspanning: zodra twee of meer personen overeengekomen zijn het misdrijf te plegen.

Maar gedachten daartoe zijn vrij. Volgens het vigerende systeem zijn alleen de uiterlijke handelingen strafbaar en mag niemand worden vervolgd wegens zijn gedachten of kwalijke intenties. Dit zijn de strafrechtelijke fundamenten van een vrije samenleving.

Samir A. viel niet onder de Wet terroristische misdrijven. Daardoor kon de rechter hem niet het terroristische oogmerk ten laste leggen. Inmiddels is veel gezegd over deze zaak, maar laten we eerst kijken wat de rechtbank in deze zaak heeft geconstateerd.

De Rotterdamse rechtbank kwam ten aanzien van het in beslag genomen materiaal tot twee soorten conclusies:

1.De plattegronden, foto's, tekeningen en aantekeningen, patroonhouders, geluiddemper, gesoldeerde elektrische circuitjes, kogelwerend vest en nachtkijker zijn kennelijk bestemd tot het plegen van enig misdrijf.

2.Aan de ammoniak en het zoutzuur kent de rechtbank geen misdadige bestemming toe, omdat deze stoffen, gelet op hun geringe hoeveelheid, tot de uitrusting van menig huishouden in Nederland behoren. Dit oordeel geldt ook voor andere voorwerpen. Al bij al, de aangetroffen spullen vormen geen deugdelijke explosieve constructie.

In het arrest van het hof zien we hierover echter één conclusie: of ze geen onderlinge samenhang hebben, of ze erg primitief en dus ook ondeugdelijk zijn. Wat bedoelt men met ondeugdelijke middelen? Een beroemd voorbeeld hiervan is een vrouw die haar echtgenoot wil doden door middel van een zelfgemaakt gif. Zij mengt koperen centen met stukken van een sassafras (laurierboom). De onwetende man kreeg dit rare gif met de thee toegediend. De vrouw heeft pech. De man gaat, ondanks zijn zwakke gezondheid, niet dood. Uit het wetenschappelijke onderzoek bleek dat dit koperen gif nooit en te nimmer een mens kan doden. Zodoende is deze poging tot moord niet te bewijzen, omdat het middel in geen geval een mens kan doden. Hier zien we het verschil tussen morele en strafrechtelijke waarheid. De morele waarheid luidt dat deze mevrouw haar man heeft gepoogd te vermoorden. De strafrechtelijke waarheid sluit dit uit.

Over Samir A. is ook nog de inlichtingenwaarheid van toepassing. Wie deze rechterlijke uitspraken leest, ontkomt niet aan de constatering dat Samir A. bezig was een terreuraanslag voor te bereiden. Hier is weer de strafrechtelijke waarheid anders. Hoe de rechtsorde met deze twee soorten waarheden moet omgaan, is een open vraag die we vroeg of laat moeten durven te beantwoorden.

De rechtbank was niet zo uitgesproken over de terroristische intentie bij de verdachte. Het tapmateriaal, geschriften, adressen en video- en diskettebestanden die bij Samir werden gevonden, bestempelde de rechtbank als een meer dan gemiddelde belangstelling voor religieus-extremistisch geweld. Daarentegen oordeelt het hof anders over de intentie van de verdachte: ,,geen twijfel over dat de verdachte niet alleen sympathie koestert voor terroristische acties zoals (bom)aanslagen, maar dat hij door zijn bijdrage aan de werving van `strijders' die sympathie ook handen en voeten geeft. Het oordeel over die gerichtheid op terrorisme wordt alleen maar verder versterkt doordat – naar het hof als vaststaand aanneemt – het de verdachte is geweest die heeft geprobeerd om een geïmproviseerd explosief mechanisme te vervaardigen. In zoverre bestaat bij het hof geen twijfel over de volle omvang van de terroristische intenties van de verdachte.''

De politici die denken dat het hof naief is, hebben de uitspraak niet goed gelezen. Wat moest het hof doen? Moest het art. 46 van het Wetboek van Strafrecht (voorbereidingshandelingen) zo extensief gaan interpreteren, ondanks de constatering van de absolute ondeugdelijkheid van middelen, dat Samir A. kon worden veroordeeld? Dit zou dan betekenen dat de voorbereidingshandelingen, ook buiten de Wet terroristische misdrijven, op een ongelimiteerde wijze op iedereen van toepassing zouden zijn. Wil de wetgever dat de begrenzing en de strekking die hij zelf aan een strafbepaling heeft toegekend, op deze wijze in strijd met de logica van het strafrecht worden overschreden door de rechters? Ik denk het niet. Mijns inziens wenst de wetgever niet dat een wet in strijd met de basislogica van een rechtsdomein wordt geïnterpreteerd. Het hof geeft, door de constatering van de terroristische intentie bij de verdachte, een duidelijk signaal aan de wetgever: het gangbare kader van strafbare voorbereidingshandelingen is niet of nauwelijks van toepassing op de terroristische verdachte die in een vroeg stadium uit het oogpunt van veiligheid wordt gearresteerd. Kortom: de rechters hebben naar eer en geweten gehandeld. Meer kunnen en mogen ze niet.

Hierop heeft een aantal volksvertegenwoordigers snel en haastig gereageerd. Hoewel ik hun zorg deel, ben ik van mening dat ze meer tijd moeten nemen voor bezinning voor zij met een reactie komen. En de wetgever moet nog wachten op de uitspraak van de Hoge Raad die ook nog een aantal juridische vragen moet beantwoorden: waarom zegt de rechtbank dat uit het bewijsmateriaal niet blijkt welk concreet misdrijf Samir A. wilde plegen? Samir had toch plattegronden van bepaalde instellingen en een terroristische intentie.

Misschien moet de wetgever, buiten het strafrecht, de mogelijkheid van een soort administratieve ophokplicht voor de jihadisten in overweging nemen. Samir is helaas ondeugdelijker dan zijn middelen.