`Opdat de honger ons niet wakker houdt'

Twaalf miljoen mensen in zuidelijk Afrika hebben voedselhulp nodig. Nergens is de nood zo groot als in Malawi. ,,Misschien zijn we er volgend jaar niet meer.''

In de Thunga-bar laten de meisjes zich betalen in voedsel. Vier kilo maïsmeel voor een halfuurtje. Of 150 kwacha, ruim een euro. Negen kilo maïsmeel voor de hele nacht.

Er zijn meer meisjes dan klanten. Honger heeft de vrouwen uit hun dorpen naar de hoofdstad Lilongwe gedreven. Thuis eten de kinderen een brei van gekookte onrijpe mango's waar ze diarree van krijgen maar die voor even de magen vult.

Het Afrikaanse Malawi beleeft weer eens een voedselcrisis. Twintig jaar geleden exporteerde het land nog maïsmeel, maar sinds eindjaren tachtig stapelen de tekorten zich op. Malawi is niet het enige land in Zuidelijk Afrika waar de laatste oogst tekortschiet. In totaal twaalf miljoen mensen in zes landen zijn de komende maanden aangewezen op voedselhulp: in Lesotho, Malawi, Mozambique, Swaziland, Zambia en Zimbabwe. Maar van die landen is Malawi verreweg het armste met ruim driekwart van de bevolking onder de armoedegrens van twee dollar per dag. Nergens in de regio moet zo'n groot deel van de bevolking - veertig procent, 4,9 miljoen mensen - met buitenlands geld worden gevoed.

De grootste voedselcrisis in Malawi sinds 1992 diende zich al bijna een jaar geleden aan. De regering beloofde kunstmest tegen lage prijzen. Maar aanvankelijk bleven die leveringen uit omdat Westerse donorlanden de steunoperatie niet wilden betalen. Toen de distributie met Brits geld alsnog op gang kwam, arriveerde de kunstmest voor veel boeren te laat: pas in de regentijd, na het einde van het plantseizoen. Het voortijdig stoppen van de regen bracht de oogst de nekslag toe.

Sindsdien is 35-jarige Sophia Njdomole in een wedloop met de honger verwikkeld. Om met haar man en vijf kinderen te overleven at ze al van de maïs toen die nog groen was. Daarmee verkleinde ze de opbrengst van haar oogst. Niet meer dan drie maanden hebben ze gegeten van de maïs die hun akker voortbracht. Ze konden ook geen maïs kopen, zoals ze andere jaren deden met geld dat ze met het verbouwen van tabak hadden verdiend. Bij gebrek aan kunstmest was de tabaksoogst mislukt.

De afgelopen maanden vond haar man nog werk als dagloner op de Khasu-plantage vlakbij hun dorp Mapiraomwe, tachtig kilometer en lichtjaren verwijderd van de hoofdstad waar de schappen in de winkels goed zijn gevuld. Tegen een loon van een halve euro per dag. Maar nu aan het eind van het plantseizoen valt nergens meer iets te verdienen.

Ze hebben ook geen reserves meer om de `magere' maanden te overbruggen tot de volgende oogst in april. Bij de voedselcrisis van drie jaar geleden hebben ze vier koeien en zeven geiten onder de prijs verkocht, net zoals een keukentafel en twee stoelen. Vorig jaar heeft ze de naaimachine, haar grootste bezit, verpatst. Al het bezit wat hen nog rest hangt aan een balk in hun kale, lemen huis: versleten kleren en twee lappen om zich 's nachts in te wikkelen.

Hun laatste geit hebben ze vorige week verkocht. Nee, voor de aankoop van maïs was de opbrengst niet toereikend. Waar zouden ze ook maïs moeten halen? Bij het semi-staatsbedrijf Admarc in de handelspost Kasiya dat officieel maïs verkoopt tegen een kunstmatig laag gehouden prijs van 17 kwacha per kilo, 12 eurocent, is al weken niks te krijgen. En de prijs van 33 kwacha per kilo die de lokale handelaren vragen, kunnen ze niet betalen. Voor het geld van de geit hebben ze acht kilo van de kaf gekocht die achterblijft bij het malen van maïs. Sophia maakt daar een keer per dag plakkerige ballen van die ze 's avonds eten. ,,Opdat de honger ons niet wakker houdt''.

En wat als ook die voorraad is verbruikt? Ze heeft wel eerder de wortels van de bananenboom gegeten. Ze heeft wel eerder bepaalde grassen tot een stinkende pap gekookt. Er zijn er natuurlijk altijd die de volgende oogst niet halen. Zoals haar vijf kinderen die zo jong zijn gestorven. Zoals de dorpsgenoten die ze drie jaar geleden in hetzelfde gat lieten zakken omdat ze te verzwakt waren om voor elk afzonderlijk een graf te graven. ,,Misschien zijn we er volgend jaar niet meer.''

Volgens de Malawiaanse regering en het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de Verenigde Naties (VN) hoeft het zo'n vaart niet te lopen. Het is waar dat Westerse landen wel erg lauw reageerden op de noodoproep van de VN eind augustus, zegt Antonella D'Aprile van het WFP. Tien dagen later was er nog geen cent toegezegd. Nog steeds blijft de hulp achter bij de nood. Nog steeds komt de organisatie voor voedselvoorziening tot april zeker 38 miljoen dollar tekort en ook de regering heeft te weinig middelen. Als dat geld voor december niet binnen is, zegt D'Aprile, komt de hulp niet meer op tijd. Het aantal mensen dat voedselhulp krijgt moet dan naar beneden of de rantsoenen worden verkleind. ,,Dat zou tragisch zijn, want de organisatie om de honger in Malawi te voorkomen is aanwezig.''

Ook de commissaris Armoede- en Rampenbeheersing van het ministerie van Economische Planning en Ontwikkeling, dr. Nowa Phiri, verwacht ,,dat we waarschijnlijk kunnen voorkomen dat de voedselcrisis in hongersnood ontaardt''. Al erkent ze dat ze de politieke machtsstrijd waarin president en oppositie zijn verwikkeld, de aanpak van de voedselcrisis heeft vertraagd. Al houdt ze er rekening mee dat grote handelaren en politici de voedselcrisis weer aangrijpen om zich te verrijken, net zoals drie jaar geleden, en daarmee de hulpverlening ondermijnen. Ze geeft ook toe dat sommige noodgebieden bij de hulpverlening misschien over het hoofd worden gezien. Maar achteroverliggend in een reusachtige, bruine fauteuil verzekert ze dat de regering ,,de situatie volledig onder controle heeft''.

Bij de vorige voedselcrisis van drie jaar geleden beloofde de regering ook voedselhulp, zegt Sophia Njdomole in Mapiraomwe. ,,Ze heeft ons nooit bereikt. Hoe moeten de regering en de hulporganisaties weten hoe het met ons staat? We hebben ze hier nog nooit gezien.''

In de nabijgelegen gezondheidspost van Kasiya vertelt verpleegster Nelipha Chambwinga dat al ruim de helft van de kinderen die worden binnengebracht, zwaar ondervoed is. ,,Normaal stijgt het aantal ondervoede kinderen vanaf midden december. Dit jaar is de toename al in augustus begonnen. Waar blijft de hulpverlening? Op papier hebben regering en hulporganisaties deze crisis kennelijk al opgelost. Niet in werkelijkheid.''