Monnikenwerk

Meer dan vijfduizend pagina's telt het eerste woordenboek van het Latijn dat in Nederland in de Middeleeuwen gebruikt werd. `Reisa' is er Latijn voor reis.

HISTORICI, LATINISTEN, musicologen, theologen, juristen en filosofen die zich met de Nederlandse middeleeuwen bezighouden, opgelet! Vijfendertig jaar na de publicatie van de eerste aflevering is het laatste deel van het Lexicon Latinitas Nederlandicae Medii Aevii uit. In totaal belaat het standaardwerk 5500 pagina's, verdeeld over acht delen Middeleeuws Latijn van de Noordelijke Nederlanden, inclusief een supplement en een bronnenindex (dit jaar nog €2550, daarna €3000 euro, losse delen ca. €350).

``We geven bij ieder woord uitgebreide citaten, met een vertaling in het Nederlands,'' vertelt mediaeviste en classica Marijke Gumbert, één van de twee redacteuren. ``Hierdoor is het woordenboek ook voor mensen met een gebrekkige kennis van het Latijn een belangrijke bron van informatie.'' Het middeleeuws Latijn is niet voor elke gymnasiast gesneden koek. Meer dan duizend jaar lang veranderden de betekenissen van het klassieke Latijn en werden nieuwe woorden bedacht – die ook nog per streek verschillen.

Gumbert, die het werk samen deed met Olga Weijers, is sinds 1978 bij het woordenboek betrokken. Maar de geschiedenis van het project is nog veel langer, vertelt ze op haar werkkamer van het Huygens Instituut in Den Haag. ``Het begon in 1920, bij de oprichting van de Union Académique Internationale (UAI) tijdens een conferentie in Brussel.'' De aanwezige vertegenwoordigers van Europese Academies van Wetenschappen besloten toen dat het tijd was voor een `nieuwe DuCange'. Daarmee verwezen ze naar het verklarend woordenboek in zeven delen dat Charles Dufresne DuCange (1610-1688) had samengesteld. De zeventiende-eeuwse verklaringen van de Latijnse woorden die middeleeuwse schrijvers hadden gebruikt waren verouderd.

Maar waar DuCange alles in zijn monomane eentje had gedaan - zelfs op zijn huwelijksdag ging hij nog enkele uren aan het werk in de bibliotheek - spraken de conferentiegangers af dat ieder land een woordenboek zou maken van het binnen zijn moderne grenzen geschreven middeleeuws Latijn. ``Het Latijn heeft in de middeleeuwen in iedere streek een eigen ontwikkeling gekend. Ieder land kende ook verlatijnste woorden uit de eigen volkstaal. In de Noordelijke Nederlanden gebruikte men bijvoorbeeld `reisa' voor `reis' of `ludsa' voor `loods'.''

Of er kwamen nieuwe betekenissen, zoals bij het lemma `fimbria'. Gumbert: ``Dat woord staat in een tractaat van instrumentmaker Hendrik Arnoldus van Zwolle, waarin hij met een afbeelding uitleg geeft over het clavichord, een voorloper van de piano. In klassiek Latijn betekent `fimbria' `franje'. Maar daar kun je in die context helemaal niks mee. Als je dan naar de afbeelding kijkt, dan blijkt dat met `fimbria' een schema bedoeld wordt van de ligging van de toetsen. Het zijn allemaal kortje lijntjes langs een balk, waardoor het schema op een franje lijkt.'' Nuttig dus voor musicologen, die willen weten hoe in de vijftiende eeuw een clavichord gebouwd werd.

Al snel na de Brusselse conferentie was de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voorvarend van start gegaan. Ze benoemde een eigen DuCange-commissie voor de Nederlandse editie, die begon met het selecteren van bronnen. De commissie beperkte zich tot gedrukte bronnen, maar verder kwam alles in aanmerking wat oorspronkelijk tussen 800 en 1500 door Nederlanders, en in of over de Noordelijke Nederlanden was geschreven. Een groepje classici maakte tegen een geringe vergoeding uittreksels van alle uitgekozen bronnen, variërend van mystieke werken, heiligenlevens, filosofische en theologische traktaten tot rekenboeken, juridische teksten en verhandelingen over medicijnen en de bouw van muziekinstrumenten. Het werk, dat ook tijdens de oorlogsjaren doorging, vorderde traag maar gestaag. Rond 1970 was het zover dat de eerste aflevering gepubliceerd kon worden. Nu, 85 jaar na de conferentie, is het Nederlandse woordenboek een van de eerste Europese edities die zijn afgerond.

corruptDe belangrijkste verschillen tussen die edities ontstonden door de bronnen die voor het woordenboek gebruikt zijn. ``In het Nederlands woordenboek staan bijvoorbeeld veel woorden die te maken hebben met de Moderne Devotie, die hier tussen de veertiende en zestiende eeuw is ontstaan. De Kerk van Rome was decadent, corrupt en materialistisch geworden. Mensen als Geert Grote en Thomas a Kempis pleitten daarom voor een eenvoudig en gemeenschappelijk geestelijk leven.''

Dr. J.W. Fuchs was in 1961 de eerste voltijds redacteur, die afgescheiden door een gordijntje in een magazijn van de Koninklijke Bibliotheek zijn werk deed. Hij moest voor de Nederlandse versie van het woordenboek een systeem voor de lemmata opzetten, en koos daarvoor het relatief kleine corpus van de letter G. Gumbert: ``Het aantal citaten per woord is beperkt. Het gaat alleen om de meest kenmerkende plaatsen, de vroegste bronnen, vreemd gebruik en typische combinaties. De aanhalingen zijn niet in chronologische, maar in logische volgorde, hoewel de vroegste bronnen liefst vooraan staan. De vertalingen zijn in het Nederlands en Klassiek Latijn.''

Fuchs beschouwde glossaria, met alleen rijtjes woorden, ook als bron. ``Daar is kritiek op geweest, omdat veel van die woorden alleen in zo'n lijst en zonder context voorkwamen. Maar soms vind je later zo'n woord toch met context terug in een andere bron. In het supplement hebben we bijvoorbeeld vele citaten opgenomen van Jacob Tymman van Amersfoort, die in de vijftiende eeuw commentaren schreef op Aristoteles. Hij gebruikt veel ongebruikelijke woorden, die ook in de Teuthonista, zo'n glossarium, voorkomen. Waarschijnlijk heeft hij het glossarium op zijn werktafel gehad. Tymman kende weliswaar goed Latijn, maar voor de vertaling van moeilijke Nederlandse woorden had toch een woordenboek nodig.''

Gumbert heeft wel problemen met Fuchs' beslissing indertijd om als enige van alle Europese woordenboeksamenstellers de middeleeuwse spelling voor de alfabetische volgorde aan te houden. ``Hij had gelijk dat de middeleeuwse spelling afweek van de klassieke. In plaats van ae en oe gebruikten de middeleeuwers e, de h bestond niet, de klassieke y werd een i en de z een s. Maar het woordenboek is gebaseerd op in druk uitgegeven bronnen, dus is op grond van het woordenboek niet te bepalen waar de `klassieke' spelling van de werken van bijvoorbeeld de vijftiende-eeuwse mysticus Thomas a Kempis vandaan komt. Stamt die uit de handschriften en de middeleeuwse praktijk, of is die door de redacteur van de gedrukte tekst gereconstrueerd? Bovendien vind je nu woorden op onlogische plaatsen. Habere staat onder de A, terwijl aestimatio en oeconomus allebei onder de E zijn terug te vinden. Fuchs had beter de klassieke spelling kunnen aanhouden en dan per woord alle spellingsvarianten kunnen geven.''

Fuchs is in 1975 overleden. Gumbert en Weijers, in 1968 als assistente van Fuchs begonnen, hebben zich als zijn opvolgers regelmatig afgevraagd of ze zijn beslissing over de spelling niet moesten terugdraaien. Met een blik op een verbleekte, ingelijste foto van Fuchs: ``Dat zou opnieuw beginnen betekend hebben. De DuCange-commissie, die het werk begeleidde, zou dat nooit hebben goedgekeurd. Olga en ik waren vergeleken bij Fuchs nog jong en onervaren; ze zouden het aanmatigend in plaats van dapper hebben gevonden.''

Herinneringen ophalend schetst Gumbert een snel veranderend tijdsbeeld. De eerste lemmata schreven de redacteuren nog met zwarte inkt op speciaal voor het woordenboek ontworpen papier met brede kantlijnen. Op verzoek van de uitgever - eerst Hakkert, vanaf 1977 Brill - stapten ze daarna over op kopij die op een schrijfmachine was getikt. In de jaren tachtig deed de computer zijn intrede. Het Instituut voor Lexicologie van de Universiteit Leiden heeft toen 3000 pagina's Latijnse teksten gescand.

streefjaarOver geld heeft ze zich nooit zorgen gemaakt, al werden de regels van financier NWO op den duur wel strenger. ``Bij aanvragen zeiden we altijd dat het over tien jaar klaar was. `Doe dat nu eens iets preciezer,' kregen we in de jaren negentig te horen. Toen werd 1998 het streefjaar om alles af te hebben.'' Organisatorische veranderingen zorgden er volgens Gumbert voor dat het toch langer duurde. ``In het kader van de schaalvergroting bracht de KNAW ons met andere onderzoekers in één instituut onder, het Huygens Instituut voor literatuur- en wetenschapsgeschiedenis. Ik werd onderzoeksleider en kreeg allerlei managementtaken. Dat nam extra tijd in beslag. Die taken beschouwde ik als `op hoge hakken' lopen. Aan het woordenboek werken betekende 'lekker even pantoffels aan'.''

Staand voor een boekenkast schetst Gumbert de stand van zaken bij de collega's. ``De Joegoslaven zijn al klaar, maar die hebben maar twee delen. De Zweden zijn bijna klaar. De Catalanen, die meteen begonnen waren, zijn nog bezig. De Duitsers hebben vanwege de deling jaren stil gelegen, maar zijn sinds 1989 weer bezig. De Engelsen zijn laat begonnen, maar gaan nu erg hard. De Polen zijn bij de R. En de Fransen, die de hele zaak coördineren, zijn bij de L begonnen en nu bij de P beland.''

In een kluis van de Koninklijke Bibliotheek liggen de ruim 300.000 fiches met beschrijvingen. Toch heeft Gumbert niet het gevoel dat haar werk af is. ``De vertalingen zijn nu nog in het Latijn en Nederlands. Latijn was in de jaren twintig misschien nog een universele wetenschappelijke taal, maar nu niet meer. Er zou dus eigenlijk een Engelse en Franse vertaling bij moeten. Dat zou goed kunnen bij een zeer gewenste elektronische webeditie, die ook makkelijk is bij te houden. Maar welke uitgever en financier gaat dat betalen? Dat maak ik, geboren in 1942, niet meer als redacteur mee.''