Locatie, locatie, locatie

Als kind verbaasde ik me vaak over het uitzonderlijke geluk dat ik in Nederland was geboren. Dat was toch zeker het beste land ter wereld. Alles was precies goed. Het was niet te koud en niet te warm, niet te groot en niet te klein, niet te rechts en niet te links. Er waren geen aardbevingen, burgeroorlogen of hongersnoden. Dit bevoorrechte gevoel kwam vooral in mij op, als ik in de warme huiskamer in mijn schoongewassen pyjamaatje met een bordje versgebakken frietjes op schoot naar het televisiejournaal keek. Wat daar allemaal aan buitenlandse ellende langskwam was ver weg, heel ver weg.

Na een paar geschiedenislessen werd mij al snel duidelijk dat mijn geluk niet alleen deze begenadigde plek op aarde betrof, maar ook het tijdstip in de geschiedenis. Was ik twintig jaar eerder geboren, dan waren dit soort zonnige gedachten niet in mij opgekomen. (En als ik nu naar het binnenlandse nieuws kijk, vraag ik me af hoe dit voor mijn eigen kinderen aanvoelt.) Waaraan had ik deze uitzonderlijke positie in ruimte en tijd verdiend?

Pas later realiseerde ik me, dat de vraag stellen, haar beantwoorden is. Want al die talloze kinderen, die hun leven leiden in betonnen kolossen in naamloze buitenwijken van verre miljoenensteden, vragen zich helemaal niet af, waarom ze juist daar worden geboren. In eerste benadering wordt ieder kind in dergelijke omstandigheden geboren. Alleen de uitzonderingen op de regel stellen zich de waarom-vraag. Zolang er geen wereldwijde communistische eenheidsstaat bestaat waarin iedereen hetzelfde leven leidt, zullen er kinderen blijven die, zoals ik in het veilige Nederland van midden jaren zestig, zich afvragen waarom de beelden van het achtuurjournaal zo immens verschillen van wat ze vanuit het raam in hun veilige huiskamer zien.

Ook de wetenschap moet zich er mee verzoenen dat sommige verschijnselen geen fundamentele oorzaak hebben, maar eenvoudigweg door omgevingsfactoren worden verklaard en zuiver een kwestie van milieu zijn. Het zijn, om met Rudyard Kipling te spreken, just so stories. Het is nu eenmaal zo, punt uit. Het heeft geen zin om naar een dieperliggend waarom te vragen.

Zo is er geen enkele dwingende reden waarom het afgelopen woensdag 4,7 graden in De Bilt was, noch is het mogelijk om te berekenen wat daar de temperatuur over twee maanden zal zijn. Want kleine zaken kunnen grote gevolgen hebben. De spreekwoordelijke vlinder, die vandaag in Brazilië met zijn vleugeltjes heen en weer klapt, kan in een paar maanden de luchtstroom boven mijn huis beïnvloeden en daar een hagelstorm veroorzaken. Maar dat betekent niet dat we direct de universitaire afdelingen meteorologie moeten sluiten. Want er valt genoeg over het weer te zeggen in termen van algemene verbanden, statistieken en patronen. Er is daar zelfs goed geld mee te verdienen. Zo sprak ik onlangs een jonge vrouw die een succesvol bedrijf had opgezet dat zich juist met de weersvoorspelling over een periode van enkele maanden bezighield. Op mijn vraag wat er met die Braziliaanse vlinder was gebeurd, was haar antwoord: ``Die is in de Atlantische Oceaan verdronken.'' Haar bedrijf maakte namelijk gebruik van het langetermijngeheugen van die grote watermassa om statistische voorspellingen te doen.

Ook de biologie heeft het opgegeven om alle waarom-vragen te willen beantwoorden, ook al was dat soms een pijnlijk proces. Er is geen fundamentele reden waarom wij tien vingers of vier ledematen hebben. Dat wordt snel duidelijk als we de mens als `slechts' één van de vele organismen op aarde beschouwen. De natuur blijkt dan een scala aan alternatieven voor dat magische getal vier te bieden: denk maar aan mieren, spinnen, duizendpoten of wormen.

Wat voor mijn jeugdimpressies van Nederland geldt, geldt in vele opzichten ook voor de aarde. Het is een uitzonderlijk rijke planeet, met een grote complexiteit aan levensvormen die nergens anders in het zonnestelsel wordt aangetroffen. Ook hier is het allemaal precies goed. De aarde is niet te groot en niet te klein, niet te koud en niet te warm. Kijk maar naar wat voor vreselijke dingen bij onze naaste buren gebeuren. Venus is een brandende hel, waar een volledig uit de hand gelopen broeikaseffect een permanente verzengende hitte van 450 graden produceert, genoeg om vele metalen te doen smelten. Op Mars is daarentegen de gemiddelde temperatuur een ijselijke 55 graden onder nul.

Waarom staat de aarde op die optimale afstand tot de zon, dichtbij genoeg om het leven met warmte te voeden, maar ver genoeg om de schadelijke effecten van de straling te temperen? Waaraan hebben we dit aangename planetaire klimaat verdiend? In het verleden zijn prachtige theorieën bedacht om deze vraag te beantwoorden. Zo construeerde de sterrenkundige Johannes Kepler eind zestiende eeuw een ingewikkeld wiskundig model dat gebruik maakte van de regelmatige veelvlakken die u wel van Escher-prenten kent. Alles paste ingenieus in elkaar. Het kon gewoon niet anders. Maar het was de grootst mogelijke onzin.

Het is goed te begrijpen dat men in Keplers tijd een fundamenteel antwoord zocht op de vraag naar het waarom van ons bestaan. Men dacht dat de aarde uniek was, of op z'n hoogst één van een handjevol planeten. Er was, om een geladen woord te gebruiken, een krachtige illusie van ontwerp, want er was maar één datapunt.

Maar nu weten we dat deze vraag even zinloos is als de vraag waarom ik in Nederland ben geboren. Ook hier geldt, dat de vraag stellen haar beantwoorden is.

Net als voor onroerend goed zijn er drie belangrijke voorwaarden voor intelligent leven: locatie, locatie, locatie. Een voorzichtige schatting zegt dat er triljarden planeten zijn in het voor ons zichtbare deel van het universum. Waarschijnlijk met een adembenemende diversiteit aan milieus. Allicht dat daar eentje bij zit met veel water, een aangename temperatuur, een grote maan die de noord- en zuidpool op hun plek houdt en het klimaat stabiliseert, en een grote broer (Jupiter) die opdringerige asteroïden uit de weg houdt. Kortom, een planeet met de ideale omstandigheden om een grote rijkdom aan levensvormen op te bouwen, inclusief ons mensen die deze rijkdom observeren en ons afvragen waar we dit allemaal aan verdiend hebben.

Maar, zult u zeggen, het is toch niet zo dat uiteindelijk alles een kwestie van milieu is? Er blijven toch vragen over die wel een fundamenteel antwoord hebben en niet door omgeving, variatie en toeval worden bepaald? Er mag dan geen goede reden zijn voor onze vier ledematen, maar toch wel voor de drie `kleuren' waarin quarks worden uitgevoerd?

Nu, dat is nog maar helemaal de vraag. Er woedt op dit moment een heftig debat onder kosmologen of wat voor Nederland en de aarde geldt, ook opgaat voor het heelal. Ook dat lijkt wonderwel afgestemd op leven. De uitdijing gaat niet te langzaam en niet te snel, er is niet te veel en niet te weinig materie. Wordt dit aangename klimaat verklaard doordat ons universum slechts één van een enorm ensemble van mogelijke universa is, een zogenaamd multiversum? Zijn wij ook in dit opzicht de uitzondering op de regel?

Dergelijke gedachten over parallelle universa, waar we nooit contact mee zullen maken, verontrusten me. Ook de spectaculaire beelden uit de verre uithoeken van ons eigen heelal hebben dat effect op mij. Al dat kosmische geweld van enorme gasnevels, exploderende sterren en zwarte gaten maakt dezelfde indruk als die beelden van het achtuurjournaal. Net als vroeger op de bank voor de televisie, krijg ik de neiging om de warme deken van de aardse atmosfeer wat dichter om mij heen te trekken en vast te stellen dat het allemaal gelukkig ver van mijn bed is.