Iedere generatie zijn eigen Golden Earring

Joost Zwagerman over de Earring-singletjes die hij in de platenkoffer van zijn vader vond, maar vooral over zijn eigen bewondering voor de band

De Golden Earring schijnt niet zo veel op te hebben met jubilea. Ik hoorde Barry Hay ergens zeggen dat ze jubilea liever overlaten aan BZN. Evengoed bestaat Golden Earring dit jaar veertig jaar en dat is duizelingwekkend lang voor een band. De heren stonden dit jaar op Pinkpop, er verscheen een Tribute-cd gemaakt door een aantal jonge Haagse bandjes, en volgende week komt een Earringboek uit met medewerking van onder anderen Anton Corbijn, Bart Chabot, Freek de Jonge en Jan Cremer.

Ik was vijftien toen ik, eind jaren zeventig, in een van de platenkoffertjes van mijn vader grasduinde en singles opdiepte uit de tijd dat er nog een s aan de Golden Earring vastzat. Ik trof toen singles aan als `That Day', `If You Leave Me' en `I've Just Lost Somebody'. Deze singletjes leken lichtjaren verwijderd van de Golden Earring zoals ík die medio jaren zeventig had leren kennen: de gitaarband van `Kill Me (ce soir)' en `Radar Love'. In die jaren was het de gewoonte om wat lacherig te doen over die eerste periode van de Earring als jaren-zestigbandje. Het vergt kennelijk enige tijd om te kunnen horen dat die allervroegste hitsingles van de Earring behoren tot de beste uit die tijd, ongeveer zoals je ook door een periode heen moet waarin je de Beach Boys afserveert, tot je in staat bent te erkennen dat Brian Wilson met een nummer als `God Only Knows' een van de knapste liedjes heeft gemaakt uit de popgeschiedenis.

Bij iedere leeftijdgroep hoort een specifieke Golden Earring. Voor mijn vader de Earring eerst en vooral het Haagse merseybandje van `Dong-dong-diki-digi-dong'. Vrienden van mijn tien jaar jongere broer draaiden begin jaren tachtig `Twilight Zone' op hun hifi-toren, en een paar jaar hadden we voor onze kinderen een oppas die bij altijd een stapel cd's meenam waar behalve albums van Oasis en Aerosmith ook meestal The Naked Truth bijzat. Zo heeft iedere generatie zijn eigen Earring-album als referentiepunt.

Míjn quintessential Golden Earring-album is Live, uit 1977. Ik was veertien en had oudere vrienden van wie sommigen al een baantje hadden en dus meer geld hadden dan ik. Zij konden Live – een dubbelalbum en dus behoorlijk aan de prijs – zomaar pal na release kopen. Ik overdrijf niet met te zeggen dat Live destijds een deel van ons dagelijks leven vormde. Na school zochten we elkaar op en draaiden op onze kamers telkens de live-versie van `Radar Love'. We speurden op Live naar mogelijke raakvlakken met andere bands. De eerste maten van `To The Hilt' vertoonden bijvoorbeeld een veelzeggende overeenkomst met de wat schelle gitaarrifs van Pete Townsend van The Who. En was het toeval dat Hays zang op dat nummer richting Roger Daltrey zweemde? Op de hoes van Live stond een getekend portret van Barry Hay waarin hij Daltrey naar de kroon stak. Hay was afgebeeld met het hoofd dandyesk in de nek, zijn ene hand à la Mick Jagger op de heup en de ander trefzeker steunend op de microfoonstandaard. In die houding vormde hij voor ons de belichaming van de rock'n'roll.

Een jaar na Live kwam Grab It For A Second uit. Alleen al de hoes maakte diepe indruk. Het flueweelblauw dat afstak tegen het bijna fosforescerend groen van het toenmalige Earring-logo associeer ik nog steeds met de verhitte popdisputen op onze jongenskamers, eind jaren zeventig. Pas later las ik bij de credits dat de foto op de binnenhoes was gemaakt door Anton Corbijn. De samenwerking met de Earring heeft bij Corbijn specifieke sporen nagelaten. Het kan niet anders of de hoes van het Earring-album uit 1979, No Promises, No Debts, is de inspiratiebron geweest voor het onwerp van Corbijn van de hoes van Pop van U2 uit 1997: die U2-hoes is een beeldcitaat van No Promises, No Debts.

Het opmerkelijke is dat Live bijna dertig jaar na dato volledig overeind blijft. Iedereen zal het fenomeen kennen met een mengeling van gène en zelfvertedering terug te kijken op albums en singles die je in een ander leven hebt beschouwd als het nec plus ultra in de popmuziek. Destijds dacht ik bijvoorbeeld dat na Never Mind The Bollocks, Here's The Sex Pistols de popmuziek nooit meer hetzelfde zou worden. Ook was ik ervan overtuigd dat de eendagsvlieg Foxy met de mix van funk en rock in het hitje `Get Off' een blijvend commercieel hoogtepunt had bereikt. Allemaal malle illusies. Maar ook een aantal echt grote bands uit de new wave-periode kun je maar beter niet al te aandachtig terughoren. Neem het avantgardistische new wave-gezelschap Wire, dat een onaantastbare status geniet onder fijnproevers. Dat gezelschap van muzikale kunstacademiestudenten heeft toch ietsje minder eeuwigheidswaarde dan ik destijds veronderstelde. Maar een album als Live is op veel plaatsen nog voor geen spat verouderd. Sterker: Live is de tijd van oorsprong en release blijvend ontstegen. De enige andere twee platen uit de Nederlandse popmuziek van die specifieke periode waarover ik dat idee heb zijn Shpritsz van Herman Brood and his Wild Romance en Ten Mistakes van Gruppo Sportivo.

Het is bekend: in tegenstelling tot Engeland heeft Nederland weinig talent voor het eren van museaal geworden popfenomenen behalve wanneer zo'n fenomeen overlijdt. Dan verandert de publieke nonchalance ineens in eenoverspannen soort verering: de publieke eerbewijzen uiten zich in ejaculatie van griezelige hysterie die in geen ander land valt uit te leggen. In Engeland heet Paul McCartney bij zijn leven al Sir Paul McCartney, in Nederland werd Herman Brood na zijn dood niet geroemd vanwege Shrpritsz, maar bewierookt vanwege zijn verdiensten als troeteljunk die allang was gestold tot folklore. En André Hazes eindigde via een animistisch aandoende eredienst in de Arena in een vuurpijl, om vervolgens weer terug op aarde te keren in de vorm van een onherstelbaar mismaakte tuinkabouter op de Amsterdamse Albert Cuyp.

Alle vier de Earrings zijn nog springlevend, maar laten we hen in een – hopelijk verre – toekomst vuurpijl en folklore besparen. In plaats daarvan zouden we nummers als `Radar Love' en `She Flies On Strange Wings' officieel kunnen bijzetten in onze nationale pophistorie, met `Radar Love' als de Nederlandse variant van rock-anthems als `Nights In White Satin' en `Bohemian Phapsody'.