Het nut van neerslachtigheid

Het bestaan van depressies is te verklaren uit een nuttig vermogen van een mens om onbereikbare doelen tijdig los te laten. Zulke vermogens zijn inherent gevoelig voor ontsporing. En dan wordt je dus depressief, legt evolutionair psychiater Randolph Nesse uit.

`WAAROM BESTAAN er zoveel ziektes? Waarom zijn we zo kwetsbaar? Waarom verdwijnt schizofrenie niet? Waarom zijn zoveel mensen depressief?'' In de kale interviewkamer van de Amsterdamse RAI vuurt Randolph Nesse vanachter cola en pizza geroutineerd de retorische vragen af die de kern vormen van zijn zelfbedachte vakgebied: Darwinian medicine. Sinds begin jaren negentig zoekt deze hoogleraar psychiatrie en psychologie aan de Universiteit van Michigan naar evolutionaire verklaringen van het ontstaan van ziektes en gebreken.

Samen met bioloog George Williams schreef hij in 1994 het boek Why we get sick dat evolutionaire uitleg geeft bij het bestaan van de verstandskies, bij de griep, bij obesitas. En ook bij koorts, pijn, en borstkanker trouwens. ``We leven niet meer in de omgeving waarvoor we zijn ontworpen. Dat zorgt voor borstkanker, beroertes, diabetes.'' Nesse en Williams onderscheiden nog andere redenen voor onze kwetsbaarheid: soms evolueren ziekteverwekkers nu eenmaal sneller (griep), soms worden oude aanpassingen nutteloos en vervelend (de blinde darm), soms krijgt natuurlijke selectie geen vat op de ellende (veroudering). ``En de laatste categorie zijn zaken die nuttig zijn, maar ook pijnlijk.''

Koorts, braken en diarree zijn voor de hand liggende voorbeelden. Maar Nesse, die als psychiater nog steeds patiënten behandelt, richt zich sinds enkele jaren vooral op mentale ziekten - depressie, angststoornissen. Daarover sprak hij vorige maand in de RAI, als een van de hoofdsprekers op het Europees Congres voor Neuropsychofarmacologie. Volgens de hoogleraar zijn sommige mentale ziekten in aanleg nuttig om als mens te overleven. Angsten voorkomen dat we in zeven sloten tegelijk lopen. Neerslachtigheid helpt ons om te stoppen met het najagen van onbereikbare doelen.

``Iedereen wordt jaloers als zijn partner er vandoor gaat met iemand anders. En ieder van ons wordt verdrietig als we iets verliezen dat ons waardevol is. Dat zijn heel nuttige, heel consistente menselijke reacties waarover we de controle kunnen verliezen. Zo is het ook met depressie. Aan de ene kant is dat moeilijk voor te stellen. Depressieve mensen hebben nergens meer zin in; hoe kan dat nuttig zijn? Maar tegelijkertijd zien we dat allerlei diersoorten ook geen energie meer inzetten als het niet meer nuttig is. 's Nachts slapen ze, of ze gaan in winterslaap. Bij mensen gaat het precies zo. We willen relaties en status, we willen bijdragen aan onze groep. Als enige diersoort jagen we lange-termijndoelen na. Jaren achtereen werken we om sociaal te stijgen, om kinderen op te voeden of kanker te overwinnen. En als dat niet lukt, voelen we ons neerslachtig. Het nut van die neerslachtigheid is, dat we dat doel loslaten.''

Zulke systemen, denkt Nesse, zijn inherent gevoelig voor ontsporing. Daarom komen ze ook zoveel voor, zei hij tijdens zijn lezing in de RAI. Ruim één op de vijf Europeanen krijgt er in zijn leven last van. En dat is vreemd. Want waarom is ons brein niet zo ingericht dat we zonder depressie kunnen? Waarom is depressie het onvermijdelijke volgende station na nuttige vormen van neerslachtigheid? Of is een depressie zelf misschien nuttig? ``Nee, dat moet ik nou juist steeds benadrukken tegen al die journalisten. Vaak is depressie een ziekte [Nesse slaat met de vuist op tafel] die het gevolg is van veranderingen in de hersenen [slaat weer] en helemaal niks te maken heeft met wat voor aanpassing dan ook. Maar het is vaak wel gerelateerd aan normale neerslachtigheid.''

Die relatie, zegt de psychiater, kunnen we verklaren met het zogenaamde rookmelderprincipe. ``Als je een verdediginsmechanisme hebt waarvan de kosten laag zijn, zal het elke keer afgaan wanneer het maar nuttig zou kunnen zijn.'' Denk aan paniekstoornissen. Het kost `slechts honderd calorieën' om per abuis te schrikken als er geen tijger in de buurt is – maar het voorkomt dat je rustig doorloopt als er wèl een kwaadwillende katachtige langskomt. `Om te zorgen dat het systeem zo betrouwbaar mogelijk is, accepteren we een vals alarm', omschreef Nesse dat principe in 2001, in een artikel in Annals of the New York Academy of Sciences.

Wat zou uw werk betekenen voor de behandeling van depressie?

``Wat het in ieder geval niet zo moeten betekenen, is dat als neerslachtigheid nuttig zou zijn, dat we dan maar moeten ophouden met het behandelen van depressie. We blokkeren ook koorts en pijn en diarree, terwijl dat ook nuttige mechanismen zijn. Stel dat je een pil bedenkt die alle negatieve emoties blokkeert. Heel abnormaal, als je bekijkt hoe het leven de afgelopen miljoenen jaren eruit gezien heeft. Maar gemiddeld genomen zal zo'n pil het leven beter maken.

``Alleen: voor we zulke medicijnen gaan ontwikkelen, moeten we eerst maar eens bedenken hoe nuttig die negatieve emoties precies zijn. Je moet je afvragen: zal deze of die persoon er beter van worden? En dan zeg ik: we zijn niet in de positie om die beslissing te maken. Zelf voor koorts en pijn weten we dat nog niet. We weten niet of paracetamol ons langzamer, sneller of even snel beter maakt. Gek toch? Dus we moeten eerst maar eens bedenken hoe nuttig die negatieve emoties precies zijn. Dat is het nut van mijn werk, volgens mij. Het geeft aan welke studies je kunt gaan doen.''

Nesse is niet de eerste die een theorie formuleert over het nut van neerslachtigheid. Pionier in het vakgebied was de psychoanalyticus – en naaste collega van Freud – Edward Bibring, die er in 1953 een hoofdstuk over schreef in het boek Affective disorders. Bibring stelde dat een depressie mensen afremde die vanwege lustgevoelens maar bleven jagen op een gewild maar onbereikbaar `object'. In de jaren zeventig kwamen er meer algemene theorieën die neerslachtigheid verbonden aan het tevergeefs najagen van doelen.

Nesse: ``In psychologisch onderzoek is dat inmiddels uitgebreid gebleken. Je humeur wordt niet beïnvloed door wat je wel of niet hebt, niet door wat je verwacht te krijgen, maar door de snelheid waarmee je dichter bij dat doel komt, vergeleken met de snelheid waarmee je er dacht te komen.'' Zo verscheen twee jaar geleden een studie (Personality and Social Psychology Bulletin, 2003) waarin studenten en jonge ouders een enquête moesten invullen over negatieve gevoelens en over doelen in hun leven. Zij die het best waren in het loslaten van onbereikbare doelen, hadden het minst last van stress en piekeren.

Op basis van uw theorie zou je verwachten dat alleen bepaalde negatieve ervaringen tot depressie leiden. Zijn daar aanwijzingen voor?

``Iedereen is het er over eens dat er vaak negatieve gebeurtenissen in het leven van de patiënt aan depressie ten grondslag liggen, maar er is nauwelijks onderzoek naar de vraag welke gebeurtenissen dat dan zijn. Matt Keller, een promovendus van mij, heeft wel onderzoek gedaan in die richting (Journal of Affective Disorders, 2005). We wilden weten of de symptomen van depressie hetzelfde zijn ongeacht de oorzaak. Maar we merkten juist dat de symptomen verschilden. Na een sociaal verlies voelen mensen zich slecht, ze huilen, ze hebben behoefte aan sociale steun. Terwijl stress of mislukking juist leidde tot moeheid, pessimisme, gebrek aan zelfvertrouwen. We waren heel verrast dat nooit iemand dat onderzocht had.''

Keller en Nesse onderzochten geen depressieve patiënten, maar ruim driehonderd studenten die het afgelopen jaar twee weken of meer neerslachtig waren geweest. De studenten schreven over de oorzaak van hun negatieve gevoelens, en vulden vragenlijsten in met items als `Ik had huilbuien' en `Ik had weinig eetlust'. De conclusies lieten volgens de onderzoekers zien dat de symptomen het best te verklaren zijn als je aanneemt dat neerslachtigheid adaptief is. `Onder onze voorouders was huilen nuttig om sociale banden te versterken als een naaste wegviel. (...) Vermoeidheid en pessimisme (...) zorgen dat we geen energie verspillen en niet teveel initiatief nemen.'

Uw theorie over de evolutionaire basis van depressie is niet de enige. Zo wordt wel gedacht dat depressie ontstaat als je een conflict rond status verliest.

``Dat is de theorie van `involuntary yielding' [onbewust zwichten, red.], die John Price dertig jaar geleden bedacht. Het is ook bij primaten bestudeerd.'' Michael Raleigh en Michael McGuire, allebei onderzoekers aan de Universiteit van Californië in Los Angeles, publiceerden in 1991 in Brain Research een onderzoek bij meerkatten, waaruit bleek dat alfa-mannetjes die hun positie verloren, allerlei symptomen van depressie begonnen te vertonen. Kregen ze Prozac toegediend, dan verdwenen die symptomen weer. Nesse: ``Ik vind het een interessante theorie. Ik denk dat het een subcategorie is van wat ik beweer: ik zeg dat depressie ontstaat als je een doel moet loslaten, zij beweren dat vooral statusdisputen daarvoor de aanleiding zijn.''

``En dan is er nog de theorie van sociale navigatie, van Paul Watson en Paul Andrews. Zij denken dat depressie bedoeld is om anderen te manipuleren, om aandacht te krijgen. Zo werkt het misschien voor een baby wel: dan heeft de moeder evolutionair voordeel als ze goed voor haar baby zorgt. Maar depressie zorgt er niet voor dat je als volwassene meer aandacht of middelen krijgt. Het meeste onderzoek laat zien dat mensen zich na een paar weken van een depressieve patiënt afkeren. Ze helpen ze niet echt. Uit evolutionair oogpunt is zo'n manipulatieve strategie dus helemaal niet nuttig.''

Is langdurige neerslachtigheid dat dan wel?

``Nogmaals: ik denk niet dat een depressie nuttig is. Maar aanhoudende neerslachtigheid weerhoudt je er wel van om te snel met iets anders verder te gaan. Stel dat het nu, deze week, slecht gaat met je huwelijk. Dan is het misschien niet zo handig om te zeggen: hup, ik zoek een ander. Het is beter om passief te worden. Dat zorgt ervoor dat je niet te snel een overgang maakt.''

Aan de andere kant: depressieve mensen zijn niet de mensen die eens rustig gaan zitten en rationeel nadenken wat ze het best kunnen doen, toch?

``Nou, dat is nog maar de vraag. Er is veel onderzoek waaruit blijkt dat mensen met een goede bui minder kritische denkers zijn. Ze hebben meer vooroordelen, ze generaliseren meer. Mensen die een beetje depressief zijn, zijn meer analytisch, rationeel, en objectief.''