Het bijzonder onderwijs is niet meer zo bijzonder

De publieke financiering van religieuze en andere bijzondere scholen is nog steeds een splijtende kwestie. Zo woedt er een openbaar debat tussen VVD-Kamerlid Hirsi Ali, die openbare financiering van het bijzonder onderwijs wil afschaffen, en het erelid Wiegel van die partij, die niet aan deze geldstroom wil tornen. In het nieuwe Liberaal Manifest van de VVD wordt gepleit voor een aanvulling op artikel 23 van de Grondwet dat de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs garandeert. Bijzondere scholen zouden dan de `Nederlandse rechtsorde' moeten respecteren.

Met artikel 23 werden in 1917 de heftige geschillen tussen religieuze en niet-religieuze stromingen bijgelegd, `gepacificeerd'. Dit was bepaald geen liberale overwinning. Volgens lid 6 moet ,,de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende worden gewaarborgd''. Het maakte Nederland tot een uniek gesubsidieerd veelstromenland.

Inmiddels is de `schoolstrijd' geheel achter de horizon verdwenen. De religieuze zuilen zijn aan het vervagen; het komt bijvoorbeeld voor dat in een katholieke school het islamitische suikerfeest wordt gevierd. Voornamelijk in sommige orthodox-christelijke, joodse en islamitische scholen speelt de religieuze identiteit nog een belangrijke rol. Verder zijn er niet-religieuze, algemeen bijzondere scholen die een bepaalde onderwijsmethode voorstaan. Er gaan iets meer kinderen naar bijzondere dan naar openbare scholen. Bijzondere scholen zijn praktisch even `wit' of `zwart' als openbare. Bij opheffing van het bijzonder onderwijs zouden dus veel burgers betrokken zijn; vandaar dat het een gevoelige kwestie is.

In plaats van levensbeschouwing heeft het bijzonder onderwijs een andere functie gekregen voor ouders: de garantie dat zij kunnen kiezen. De competitie tussen door particulieren en door de gemeente bestuurde scholen garandeert dat er alternatieven zijn. Aan deze keuzevrijheid wordt al getornd door opgelegde fusies, wachtlijsten en regelingen dat kinderen alleen binnen één postcodegebied naar school mogen. Dat past niet in een tijd waarin de overheid minder dringend gewenste keuzemogelijkheden voor de burger verzint, van energieleverancier tot zorgverzekeraar.

Door afschaffing van het bijzonder onderwijs wil Hirsi Ali de onderwijskeuze verder beperken. Niet alleen krijgen dan de veertig moslimscholen, het doelwit van Hirsi Ali, geen subsidie meer, maar ook kunnen dan de `witte' en `zwarte' scholen meer worden gemengd. Maar in de grote steden is desegregatie al niet meer mogelijk wegens het grote aantal kansarme allochtone kinderen dat daar woont. Het komt erop neer dat alle scholen dan overwegend `zwart' worden. Om `witte vlucht' uit de grote steden te voorkomen, moeten dan de omliggende gemeenten worden gedwongen om mee te doen. Alleen met bustransporten van kinderen over lange afstanden kunnen scholen dan worden `gemengd', maar dat zou een te radicale maatregel zijn.

Hirsi Ali is weinig specifiek over haar desegregatieplannen. In Amerika, waar geen keuze is tussen met belastinggeld gefinancierde scholen, is er veel schoolsegregatie tussen arm en rijk, zwart en blank. Dankzij de vrije schoolkeuze in elke wijk wonen Nederlanders minder gesegregeerd dan in Amerika. Het bijzonder onderwijs kan daarom beter in stand worden gehouden; evenmin hoeft artikel 23 met een overbodige bijzin te worden aangevuld. Overconcentratie van taalarme, allochtone leerlingen is bezwaarlijk, maar dit probleem speelt in het grootste deel van het land niet. Een Grondwetswijziging is daarom te veel gevraagd. Voor lokale en nationale bestuurders is het bovendien een theoretische kwestie. Zij hebben andere middelen om toezicht te houden op moslimscholen en om dreigende segregatie en de effecten daarvan te verminderen.