Het beloofde land is ook niet alles

De komende tijd zullen 20.000 straatarme Ethiopische joden worden overgevlogen naar Israël. Ze verwachten te landen in het paradijs, maar echt welkom zijn ze niet. `Je kunt racisme alleen met grappen bestrijden.'

Amper tien was Shai Fredo, nu een charmante dertiger, toen hij voor het eerst werd uitgemaakt voor nikker. Voor kushie in het Hebreeuws. ,,Ik wist niet eens wat het betekende.'' Shai kende nog niet genoeg slang, maar dat pikte hij snel genoeg op in het opvangkamp voor nieuwe immigranten. ,,We kwamen in 1984 in Israël aan, vanuit een van de armste streken van Oost-Afrika. Elektriciteit, wc's, radio, televisie, zoveel auto's, alles was nieuw en onbekend. Maar de grootste schok was dat niet alle joden zwart waren, net als wij. In Ethiopië waren we daar altijd vanuitgegaan. We dachten dat de mensen hier hun huid hadden uitgetrokken.''

Rapper en deejay Jeremy KolHabash weet nog heel goed wanneer hij voor de láátste keer kushie werd genoemd. Dat was twee jaar geleden bij The Velvet, een megadancing aan de Hamasgerstraat in Tel Aviv. De Russische bewakers (,,moordenaars uit Tsjetsjenië'') mochten zijn magere, strenge kop en ogen van zwart glas niet. ,,Ze lieten alleen blanke jongens binnen. Zwarte jongens niet, zwarte meiden wél omdat zij nu eenmaal ongelofelijk mooi zijn. Onze vrouwen willen ze namelijk wel, maar wij worden niet gepikt, wij zijn de viezeriken, de verspreiders van aids en armoede'', vertelt hij met een wegwerpend wuifgebaar.

Jeremy is daarom een eigen club begonnen, The B-Base, twee panden verwijderd van The Velvet. Hij heeft nu zijn eigen, gevaarlijk ogende en gewapende Rus voor de deur, de vlezige, vierkante Zaza. Het is openingsavond, alleen toegankelijk voor vrienden en genodigden. In Tel Aviv begint het nachtleven op donderdagavond, maar tegen elven is het nog erg stil in de sobertjes ingerichte Ethiopische club.

Shai, een nerveuze Jeremy en Shmuel Biro, een wederzijdse vriend, hebben daarom nog even tijd voor een gesprek over het leven van de 105.000 `Ethiopiërs' in Israël en het plan om tussen nu en 2007 nog eens 20.000 Ethiopiërs, die meer dan tien jaar wachten in de kampen bij Addis Abeba en Gondar, te laten emigreren. Jeremy: ,,De nieuwe immigranten krijgen het heel moeilijk, net als wij. Dat staat vast. De Israëliërs vormen een gesloten gemeenschap, je wordt hier niet snel geaccepteerd en er is heel weinig werk. Natuurlijk krijgen ze hulp, maar dat is niet genoeg. De cultuurschok is groot. De kloof tussen Afrika en Israël is te groot om in één of twee generaties te overbruggen.''

Shmuel Biro knikt. ,,Mijn ouders, mijn ooms en tantes waren allemaal geschokt toen ze hier kwamen. Ze zijn dat eigenlijk nog steeds. Over de huizen, de mensen, het land, het eten. Zij dachten dat we naar de hemel gingen, naar een paradijs. We gingen naar het beloofde land, naar het heilige Jeruzalem. En we kwamen terecht in Israël, waar sommige joden varkensvlees eten, roken, drinken, `onreine' niet-joden aanraken en ons behandelen als vreemdelingen. Voor mijn ouders was dat heel moeilijk te verwerken.''

Shai: ,,Mijn grootvader Azariah was een opperrabbijn; er is een synagoge in Ashkelon naar hem vernoemd. Hij stierf twee weken voordat wij door de Israëlische geheime dienst Mossad van het vluchtelingenkamp in Soedan werden overgevlogen naar Israël. Dat was in de tijd van Operatie Mozes, in 1984. Mijn grootvader heeft, net als Mozes, het Land van Israël niet bereikt. Ik denk wel eens dat God hem de tocht naar Jeruzalem heeft willen besparen. Hij zou het niet verdragen hebben dat er aan zijn joods-zijn zou worden getwijfeld en dat zijn kinderen zouden worden gediscrimeerd om hun huidskleur. Hij zou niet begrepen hebben dat er ongelovige joden zijn, joden die op zaterdag in auto's rijden.''

Stand-up comedian

Shmuel Biro, vrolijk, klein van stuk, flitsende oogopslag, is een stand-up comedian in de clubs van Tel Aviv. Hij bewoont een raamloze kamer in de Yemenitische buurt vlakbij de Carmel Markt in Tel Aviv. Met zijn moeder, twee zussen en een broer kwam hij in 1991 naar Israël. Op 24 mei van dat jaar voerden de Mossad en de internationale organisatie voor immigratie naar Israël, het Joods Agentschap, Operatie Salomon uit. In 36 uur werden met 36 vliegtuigen van El Al en de luchtmacht 14.324 Falasha's (`vreemdelingen') in het geheim naar Israël gebracht. Shmuels vader en drie andere broers kwamen vijf jaar later over.

Shmuel zegt dat hij een groot fan is van de joodse komiek Lenny Bruce en de zwarte acteur Eddie Murphy. ,,Ik begin mijn show altijd met mijzelf te introduceren: Ik ben Shmuel Biro, een zwarte jood in Israël. Meer hoef ik niet te zeggen, dan ligt de hele zaal al plat. Racisme is een rijke bron voor grappen. Je kunt racisme alleen met grappen bestrijden. Israëliërs kunnen goed tegen harde humor, alleen als je grappen over de holocaust gaat maken kan het link worden. Als ik roep dat het makkelijker was als jood op tijd in Auschwitz te zijn dan hier op tijd je uitkering te krijgen, dan moeten de jongeren altijd vreselijk lachen, maar krijg ik van de ouderen op mijn flikker. Moeten ze maar eens naar Lenny Bruce luisteren, die was echt grof.''

Shai met zijn gebeeldhouwde hoofd is een acteur, geschoold op de Nissan Nativ School, de gerenommeerde toneelacademie van Israël. Hij woont in een tweekamerappartement in Holon, een volks- en industriewijk aan de oostelijke rand van Tel Aviv. Uitgestrekte bedrijventerreinen, een kruispunt van snelwegen met daarboven een streep blauwe lucht vormen het decor. ,,Ik speel nu een hoofdrol in een toneelstuk over een Ethiopische student die bij een oude mevrouw een kamer wil huren. Het is een verhaal over racisme en misverstanden. Zij weigert hem toe te laten, hij denkt omdat hij zwart is. Dat blijkt niet waar te zijn. Zij had namelijk al eerder een kamer aan een Ethiopische student verhuurd, maar die had zelfmoord gepleegd. En die zelfmoord bracht bij de vrouw weer allerlei herinneringen aan de holocaust naar boven.''

Het verhaal van Shai en Shmuel is het verhaal van de meeste in Ethiopië geboren Israëliërs. Shmuel: ,,We zijn allemaal arm, allemaal geboren in hutjes, bijna allemaal ongeletterd en allemaal naar Israël gekomen via de vluchtelingenkampen in Soedan of rechtstreeks vanuit de kampen in Addis Abeba en Gondar. Van familie tot familie verschillen de details, maar iedereen heeft tijdens de overtochten of in de kampen familieleden en vrienden verloren; families zijn uit elkaar gerukt en pas na vele jaren herenigd.'' En bijna allemaal hebben ze het moeilijk met het heden.

Minister van Absorptie

Vanaf de komst van de eerste Ethiopische immigranten in de jaren tachtig gaat de integratie van de Falasha's, ondanks grote inspanningen van de overheid en tal van maatschappelijke organisaties, gepaard met enorme aanpassingsproblemen. Israël is een harde, competitieve immigrantenmaatschappij, hoog ontwikkeld, hoog opgeleid. Dat belemmert de integratie van de meestal ongeletterde `Ethiopiërs'. In de leeftijdsgroep van 45 jaar en ouder is bijna 70 procent werkloos, van degenen die jonger zijn dan 45 30 procent. Tweederde van alle families is afhankelijk van de bijstand, maximaal 750 dollar per maand voor een gezin met meer dan vier kinderen. Van de jongeren onder de 18 maakt slechts 28 procent de middelbare school af, bijna 40 procent van de jongens onder de 18 komt in aanraking met de politie.

Van de in totaal 105.000 `Ethiopiërs' hebben 3.000 een academische graad, maar volgens het Adva Institituut, een sociaal-economische denktank, heeft 90 procent van deze academici geen passend werk. Advocaten, artsen, ingenieurs komen vaak voor gesloten deuren te staan. Plannen van de minister van Justitie en Absorptie, Livni, om dertig jaar na de aankomst van de eerste Ethiopiërs een beleid van positieve discriminatie te gaan voeren, zijn verzand in het parlement. Een soortgelijk plan van de Israëlische Orde van Advocaten leidde tot stages voor 30 rechtenstudenten, van wie slechts één uiteindelijk een baan kreeg. Het dagblad Ha'aretz sprak naar aanleiding daarvan over ,,een sociale tijdbom''.

,,Ik hoor iedere week dat iemand in de Ethiopische gemeenschap zelfmoord heeft gepleegd'', zegt Shai. ,,Mijn broertje zat pas huilend bij mij thuis. `Was ik maar blank, was ik maar een ashkenazi', riep hij. Mijn hart brak.''

Op de vraag of zij zich inmiddels Israëliër voelen, vallen ze stil. Alledrie hebben ze in het leger gezeten. Shai heeft als acteur regelmatig, maar slechtbetaald werk. Jeremy heeft zijn eigen club en Shmuel moet hard knokken om te kunnen eten.

Jeremy: ,,Nee, ik ben joods, maar nog geen Israëliër. De meesten van ons zijn te zachtaardig, te beleefd, te bescheiden. We hebben zelden een grote bek, we slaan nooit met de vuist op tafel.''

Shai: ,,Ik weet het niet. Ik weet eigenlijk niet wat dat is, Israëliër. Ik ben een jood, dat weet ik zeker. Ik wil wel Israëliër worden, maar het valt niet mee als je er steeds aan herinnerd wordt dat je anders bent. Alleen hier, met mijn vrienden, vergeet ik dat ik zwart ben.''

Shmuel: ,,We voelen ons alleen Israëliërs als we worden geterroriseerd door de Arabieren.'' Shmuel en Shai hebben wel Arabische vrienden, overgehouden uit hun diensttijd in de bezette gebieden.

Jeremy: ,,Misschien dat ik mij Israëliër voel, als ik lid ben van het parlement. En let op, ik word de eerste minister van Ethiopische afkomst.''

Verstandshuwelijk

Inmiddels is een groep vriendinnen rumoerig binnengekomen in de nieuwe club. De meiden, met blote buiken, adembenemend strakke spijkerbroeken en Afro-kapsels, wenken en zwenken op de dansvloer. Eén van hen, een studente medicijnen in Tel Aviv, heeft de laatste opmerking van Jeremy gehoord. Zij adviseert contact te zoeken met haar tante, Balinash Ayech. Deze vrouw zou de eerste Ethiopische plaatsvervangend burgemeester van een Israëlische stad worden. Als gevolg van plaatselijke politieke machinaties, een partijsplitsing, onderlinge ruzies en het verzet van de Likud-burgemeester is zij nooit geïnstalleerd. In haar stad, Kiryat Malachi, is twintig procent van de bevolking van Ethiopische afkomst.

Het levensverhaal van de tante (49), over honger en oorlogen in Ethiopië, het leven in kampen, een verstandshuwelijk met een oudere joodse man, een korte loopbaan als bankbediende in Addis Abeba en vervolgens de nachtelijke vlucht naar Israël, is doortrokken van een stille onverzettelijkheid. Zij werkte als alleenstaande moeder met vier kinderen als schoonmaakster in een ziekenhuis, studeerde 's avonds Hebreeuws en volgde een cursus boekhouden.

,,De verhouding tussen de Ethiopiërs en de Israëliërs in deze stad is slecht, omdat ons verweten wordt dat de stad zo arm en smerig is geworden. Maar het ging al heel lang niet goed met de stad, omdat de overheid nu eenmaal meer geld in de nederzettingen steekt dan in de steden in Israël'', legt Balinash Ayech op fluisterzachte toon uit in haar kantoortje in de plaatselijke kliniek voor zwangere vrouwen. De moord op een ashkenazisch meisje door een Ethiopische jongen heeft zelfs tot openlijk gewelddadige botsingen geleid.

,,Er is hier altijd veel geweld geweest, maar het haalde de kranten nooit. Zwarte jongeren hebben het enorm moeilijk, zeker als zij van school getrapt worden en door de politie opgepakt. Dan verspelen zij ook hun kansen om het leger in te gaan. En zonder legerdienst geen baan. Je ziet ook dat families enorm onder druk gezet worden, omdat de jongeren geen respect meer hebben voor de ouderen. Vaders die in Ethiopië koningen waren in hun families, hebben hier niets meer te vertellen, zij spreken bovendien niet of slecht Hebreeuws. En de kinderen zijn inmiddels helemaal verhebreeuwst en verstaan nauwelijks meer de taal van hun ouders.''

Balinash treedt als gids op tijdens een tocht door Kiryat Malachi. Een snel gebouwd jaren-50-stadje met flats van grijs beton rondom een klein centrum. In de `Ethiopische wijk' wordt zij overal begroet. Zij vertelt over haar werk als schoonmaakster om de taallessen van haar kinderen te financieren. Haar oudste zoon is een van de weinige Ethiopische beroepsofficieren, haar oudste dochter studeert en haar jongste dochter, die zeer gelovig is geworden, vervult haar sociale dienstplicht, een alternatief voor het leger. ,,Meisjes doen het over het algemeen beter dan jongens. Het zijn de jongens die verslaafd raken en in de gevangenis terecht komen. Zij geven het eerder op'', zegt zij, aanvoerend dat 56 procent van de Ethiopische universiteitsstudenten (in totaal 1.500) vrouw is.

We gaan koffie drinken bij families waarin vaders en moeders niet kunnen lezen en schrijven, maar de dochters dagelijks heen en weer reizen naar de universiteiten van Beersheva en Tel Aviv met dikke Hebreeuwse en Engelstalige boeken in hun rugzakken. Dochters die op de middelbare school al opvielen en daarom naar een speciale, door schrijver en Nobelprijswinnaar Elie Wiesel gestichte school voor briljante, Ethiopische kinderen in Ashkelon mochten.

Een van hen is Inbal Yonas, een frêle, lang meisje, een studente bedrijfskunde, die in iedere club vast en zeker wordt binnengelaten. ,,Misschien zijn vrouwen ambitieuzer. Ik denk dat wij beter begrijpen wanneer wij Ethiopisch, dus zacht, of Israëlisch, dus hard en agressief moeten zijn. Ik zelf heb nergens moeite mee en ik ben ook nog nooit uitgescholden'', lacht Inbal zelfverzekerd, met een vleugje macha. Zij wil later bij Intel gaan werken, de Amerikaanse chipmaker in Haifa waar de Centrino-chip is ontwikkeld, of bij Cisco Systems in Petah Tikvah, om veel geld te verdienen en voor haar ouders een beter huis te kopen.

Verkleurde tatoeages

In dezelfde Ethiopische wijk zijn onlangs nieuwe immigranten gearriveerd, makkelijk herkenbaar aan hun kleurige gewaden, onzekere blikken en verkleurde tatoeages op hun hoofden. Zij hebben hier appartementen gekocht met hypotheken die voor negentig procent zijn betaald door de staat. Vrouwelijke Falash Mura (`bekeerde vreemdelingen') zijn herkenbaar aan de Jeruzalem-kruisen op hun voorhoofd. Zij komen uit het Absorptiecentrum voor Ethiopische Immigranten in Mevasseret Zion, een residentieel voorstadje van Jeruzalem. De nieuwelingen hebben een tweejarige inburgeringscursus gevolgd die bestaat uit dagelijkse lessen over de Hebreeuwse taal, het jodendom en het leven in een modern land. Zij worden hier door rabbijnen ,,teruggeleid naar hun joods-zijn''.

In het absorptiecentrum, een kazerne-achtig complex uit de jaren vijftig met appartementen, schooltjes, een computercentrum en een wijkgebouw, vertelt Michael Jankelowitz dat met ingang van volgende week per maand 600 Ethiopiërs naar Israël worden overgebracht, 150 procent meer dan nu. Jankelowitz werkt bij het Joods Agentschap. Project Jona, vernoemd naar de profeet in het gelijknamige Oudtestamentische boek én naar Jona Bagola, een Ethiopische leider tijdens Operatie Mozes, verschilt volgens hem wezenlijk van de geheime militaire operaties Mozes en Salomon in de vorige eeuw. ,,Het belangrijkste verschil is dat de luchtbrug nu bestaat uit commerciële vluchten van Ethiopian Airlines. Wij, het Joods Agentschap, boeken de tickets. Het tweede verschil is dat wij in de kampen van Addis Abeba en Gondar al beginnen met de inburgeringlessen. Zestig van onze medewerkers gaan daar binnenkort naar toe. Zo kunnen we de tijd die de olim hier doorbrengen in opvangcentra halveren.'' In 2007 moeten alle Falash Mura zijn overgebracht naar Israël.

Dat gebeurt met toestemming van de Ethiopische overheid, die als eis heeft gesteld dat de 20.000 Falash Mura werkelijk de laatste groep emigranten vormt die mag vertrekken. Ethiopië stond er ook op dat de kampen onder toezicht zouden komen van het Joods Agentschap en niet langer beheerd zouden worden door de North American Conference on Ethiopian Jewry (NACOEJ). De actieve, zelotische Amerikanen menen dat er misschien nog wel 100.000 Falash Mura in Ethiopië zijn en dat ook zij het recht hebben naar Israël te reizen.

Volgens Ethiopië zorgden de rondreizende Amerikanen alleen maar voor grote onrust. De regering zette het NACOEJ daarom eerder dit jaar het land uit met stilzwijgende instemming van de Israëlische regering, die zich ergerde aan het paternalistische gedram van de Amerikaanse joden. Zelfs toenmalig minister voor Diasporazaken Sharansky werd kregelig van het ,,Amerikaanse gepreek''. Het geagiteerde weerwoord van de Amerikaanse organisatie was: ,,Eindigde het zionisme met de komst van Sharansky naar Israël? Waarom hebben deze joden geen recht om te ontsnappen aan honger, droogte en vervolging en hij wel?''

Maar de Israëlische regering, die sinds de jaren tachtig al twee miljard dollar heeft uitgegeven aan de opvang van Ethiopiërs, wilde wegens de sociale drama's en religieuze spanningen rondom de Ethiopiërs hoe dan ook een eind maken aan de immigratie. Regering en het Joods Agentschap hebben verdragsmatig moeten beloven geen potentiële immigranten meer te zullen ronselen in afgelegen berggebieden in Ethiopië. ,,We hebben afgesproken dat dit werkelijk de laatste groep zal zijn. De NACOEJ heeft zich erbij neergelegd en toegezegd 100 miljoen dollar te werven voor Jona'', vertelt Jankelowitz.

Miram Ziv, plaatsvervangend directeur-generaal voor Afrika van het ministerie van Buitenlandse Zaken, is net terug uit Ethiopië. ,,Deze regering heeft een bindende overeenkomst getekend'', zegt ook zij. Maar als nog eens tienduizenden Falash Mura hun hutten van modder en stro verlaten en na lange omzwervingen in de woestijn en de bergen zich aanmelden bij de opvangkampen van de `faranji', de blanke vreemdelingen, en out of Africa willen, hoe reageert Israël dan? De bevolkingsgroei in Israël stagneert immers, en het aantal immigranten stijgt nauwelijks. Meer Ethiopische nieuwkomers zouden weleens zeer welkom kunnen zijn. Maar Miriam Ziv houdt voet bij stuk. ,,Met deze operatie is een onvoltooide exodus ten einde.''

[streamer] 'Ik ben een jood, dat weet ik zeker. Ik wil wel Israëliër worden, maar het valt niet mee als je er steeds aan herinnerd wordt dat je anders bent.'