De vernietigingsdrift van de overheid maakt het weefsel van de samenleving kapot

Twee visies op de kloof tussen burger en politiek. Programmamaker Hans Goedkoop heeft lang gedacht dat het niet zo'n vaart liep. Maar de praktijk leert anders, zo heeft hij ervaren: alle clichés zijn waar, en nu staat de honkbalknuppel klaar. Paul Scheffer vindt dit aanschoppen tegen de politiek te makkelijk. Niet alleen de politiek, maar heel denkend en ondernemend Nederland treft blaam. Het probleem is het gebrek aan zelfvertrouwen.

Hoe de overheid vast is komen te zitten in de fuik van technocratisch beleid en een goedwillende burger in een paar maanden tijd alle, maar dan ook alle vertrouwen in de politiek verliest.

Dit verhaal begint een maand of vijf geleden, op een maandagochtend. In een studio in Hilversum verzamelden zich medewerkers van de publieke omroep, onder wie ikzelf, in wat je noemt gespannen afwachting. De staatssecretaris van Cultuur zou haar plannen voor de omroep, net de week daarvoor gepresenteerd en bij de doelgroep met verbijstering ontvangen, komen toelichten.

De stas, misschien ook wat gespannen, was een kwartiertje te vroeg. Ze stond ineens binnen, samen met haar voorlichtster. Schoof door de drukte naar een tafeltje met thermoskoffie en moet toen hebben gezien wat voor effect haar aanwezigheid op de omgeving had. Een meter of drie, vier om haar heen stond niemand meer. Haar voorlichtster en zij waren omgeven door een tankgracht van lucht en stilte, van waarachter men haar blikken toewierp die beduidden dat ze dood moest.

Dat leek mij het moment om op haar af te stappen, samen met een collega van Andere Tijden. We wilden graag iets checken. Uit de plannen hadden we begrepen dat de NPS zou worden opgedoekt, maar dat de NPS-programma's niet per se zouden verdwijnen, doordat andere omroepen ze konden overnemen. Hadden we dan goed begrepen dat bijvoorbeeld Andere Tijden, nu een samenwerking tussen VPRO en NPS, op die manier zou kunnen voortbestaan onder de hoede van de VPRO alleen?

Dat hadden we, knikte Van der Laan, die zichtbaar opveerde dat iemand over de tankgracht kwam. Zo was het helemaal. Als de VPRO dat wou tenminste. Of een andere omroep.

Dat klonk geruststellend. Maar nog even – hoe zag ze dat voor zich? Door haar plannen zouden er in Hilversum de komende jaren massaontslagen vallen, bij veel omroepen echt honderden, en lag het voor een omroep voor de hand om trouwe krachten aan de dijk te zetten en er nieuw volk voor in dienst te nemen? Was dat netjes?

Even trok er een frons over het gelaat van de bewindsvrouw. Ze keek naar de vloer, alsof het juiste woord daar lag, en plotseling schoot me te binnen dat de vraag eenvoudiger te maken was. Daargelaten of de omroepen het netjes vonden om zo met hun trouwe krachten om te gaan, wat zou de rechter ervan vinden? Een ontslagronde houden en intussen nieuwe mensen aannemen?

,,Ja'', zei ze toen ze weer opkeek, ,,dat kon weleens lastig worden.''

Met die zin liet Van der Laan ons achter. Ze moest door, het was tijd voor de toelichting die ze de omroepmedewerkers had beloofd. We vonden haar geen kwaaie, eigenlijk best aardig, zo iemand wil je niet hard vallen. Maar die zin liet zich toch niet verdrijven. Want het leek er sterk op dat dit betekende, hoe raar dat ons ook voorkwam en hoe traag het daardoor ook tot ons doordrong, dat Van der Laan een plan had, maar geen idee over de uitvoering en eigenlijk dus geen plan.

De eerste weken na die ochtend leek me dat nog niet onoverkomelijk. Haar tekst was onder hoge tijdsdruk afgerond, geen wonder dat er losse draden aan zaten. Het was pas een `visie' bovendien, een nota, het zou maanden duren voordat daar wetgeving uit kwam, ze had nog alle tijd om haar gedachten rijp voor de praktijk te maken.

Daar kwam bij dat de halve wereld over het plan heen viel. De omroepen verklaarden zich fel tegen – op twee na aanvankelijk, maar gaandeweg eendrachtig. Commentatoren voorspelden organisatorische chaos, bureaucratische wildgroei, financiële rampspoed. Van der Laan kreeg alle grote woorden uit het handboek van de hedendaagse overheid over zich heen en vond daarbij zelfs weerstand van haar eigen adviesorganen. De samensteller van een WRR-rapport waarop Van der Laan haar halve plan had gebouwd, professor Van der Donk, vroeg zich in een hoorzitting voor de Tweede Kamer zelfs af hoe zij er in vredesnaam bij kwam zijn woorden zo verkeerd te gebruiken.

Je zou zeggen, naar zo'n man wordt toch geluisterd. Of naar een van die andere adviseurs. Desnoods naar iemand uit de omroep zelf. In de weken na die zitting stelde ik me voor dat Van der Laan haar plannen bij het Kamerdebat in oktober, nou ja, niet zou terugnemen natuurlijk, maar wel zou bij- of uitstellen. Of dat de Kamer dat van haar zou eisen, want je mocht er toch van uitgaan dat een plan waarvan deskundigen eenstemmig zeiden dat het miskleunde niet zonder slag of stoot werd aangenomen. Dat bestond niet in ons land.

Waarna het plan, half oktober, in de Kamer zonder slag of stoot werd aangenomen – inclusief de wervende suggestie dat programma's van de NPS na haar verdwijnen `elders' konden worden ondergebracht.

Dat Kamerdebat is nu een week of zes geleden en de werkelijkheid doet sinds die tijd haar best er uit te zien alsof ze heel gewoon is. Dat is wat ze immers altijd doet, het is de stilzwijgende afspraak waarop ons sociale leven rust – de oudste en meest wijdverbreide aller ideologieën, zoals Renate Rubinstein ooit schreef. Wat er gebeurd is, ach, het leven gaat door, een nieuwe dag, het lijkt of het niet écht gebeurd is, mensen stellen je gerust zoals je dat voorheen ook zelf deed. Neem het niet zo zwaar. De kaarten zijn nog niet geschud. Het loopt wel los, heus.

Het komt de mensen ook goed uit om dat te zeggen. Kijk naar uzelf, wees eerlijk, u bent even klaar met die publieke omroep. Dat gedoe duurt nu al maanden. Geen touw meer aan vast te knopen. Wat moet je er nog over zeggen dat niet al gezegd is. Schei toch uit. Neem je verlies.

U wordt daarin bevestigd door de omroepen. Die houden sinds het Kamerdebat hun mond. Uit tactische overwegingen, een reculer pour mieux sauter op een geschikter ogenblik, maar ook om na te denken en hun wonden te likken. Je kunt niet doorgaan met de mensen te vertellen hoe belabberd je ervoor staat. Dat heet drammen. De waarheid dient voorzichtig gedoseerd, wil je nog vrienden overhouden.

Zo is er de laatste weken een afwachtendheid ontstaan die vredig lijkt. Maar de werkelijkheid draait ondertussen door. De Raad van Bestuur van de publieke omroep bereid de meest draconische bezuinigingen ooit in zijn geschiedenis voor. Informatieve programma's van eigen bodem dreigen plaats te maken voor goedkope buitenlandse series en herhalingen, vooral herhalingen, en de samenwerking tussen min of meer verwante omroepen wordt mogelijk stopgezet. Een programmering die zo dicht bij die van commerciële zenders komt te liggen dat het de volledige bestaansreden voor een publieke omroep ondermijnt.

Nu komt dat plan niet rechtstreeks uit Den Haag, zoals het Van der Laan-plan, maar het wordt van daaruit wel gesanctioneerd, en daarmee tekent zich een patroon af in de houding van de politiek. Ze maakt niet iets, ze maakt kapot. Ze streeft naar wat ze zelf het liefst vernieuwing noemt, maar wat in de buitenwereld uitpakt als vernieling. Ze treedt destructief op, om het maar eens zo massief te formuleren als ik denk dat het ligt, tegen de samenleving die ze zegt te dienen.

Dat is de werkelijkheid. En het vervelende is dat we die niet voor het eerst over het hoofd proberen te zien. Een beetje krantenlezer kan het hele rijtje opnoemen. Het onderwijs, de zorg, de energiebedrijven en de spoorwegen – het onderwerp verandert per seizoen, maar het verhaal is steeds hetzelfde. Overheid wil naar een nieuwe orde. Overheid schept chaos in de oude. Keer op keer tot onze ergernis; onze afkeer van de boven ons gestelden neemt sinds 2001 dramatisch toe, dat wordt statistisch vastgesteld en blijkt de laatste dagen zelfs de president van de Nederlandse Bank met zorg te vervullen. Maar keer op keer ook komt die ergernis te laat, want bij het lezen van de waarschuwingen van betrokkenen hadden we net iets anders aan het hoofd en dachten dat de soep vast niet zo heet gegeten werd. Niet bij ons. Bij ons is alles immers heel gewoon.

[Vervolg GOEDKOOP: pagina 17]

GOEDKOOP

Wat de overheid vernieuwing noemt, pakt in de samenleving uit als vernieling

[vervolg van pagina 15]

Zo houdt de oudste aller ideologieën ons gedwee. Met dank alleen al aan de antiseptische beleidstaal van de overheid, waar ook de pers niet aan ontsnapt. We lezen wel, maar we ervaren niet, en ik ben bang dat daar maar één remedie tegen is. Zelf ook een keer de klos worden. Dat helpt enorm, kan ik u zeggen. Het heeft mijn kijk op Nederland danig overhoop gegooid. Maar wie weet bent u al een eind wanneer ik u in mijn ervaringen laat delen.

Ik wil u overhalen het gezichtspunt van de veilige buitenstaander te verlaten, met mij mee te kijken en uw blik te scherpen voor de dynamiek die de politiek van het moment, niet overal maar wel op veel terreinen, verwoestend dreigt te maken.

Beginnen we bij checks and balances die je binnen de politiek zelf zou verwachten om onzalige kabinetsplannen te onderscheppen – die van onze volksvertegenwoordiging en dan met name de regeringsfracties daar, als bondgenoten van een bewindspersoon. Ik heb hun mediawoordvoerders de laatste tijd met open mond gevolgd en merk dat ze tegenover de vernietigende krachten van hun werkomgeving ieder zo hun eigen houding aannemen.

Het meest eenduidig is daarbij Fadima Örgü van de VVD, met wie ik een keer in debat mocht. Tegen het slot van die vergeefse tweespraak hield ik haar nog maar eens voor dat het plan-Van der Laan tot een verloedering van het bestel zou leiden, dat het kabinet de boel liet instorten, zodat je enkel nog kon hopen dat het daarna van de grond af aan iets nieuws zou bouwen, en ik zag al aankomen hoe zij zich tegen die suggestie zou verzetten. Alsof zij in de Kamer zat om blij te zijn wanneer er in ons land iets instortte!

Ze had al eerder in het gesprek gezegd, trouw aan het partijprogram, dat haar partij liefst inderdaad een nieuw bestel zou bouwen, zonder omroepverenigingen en met één net minder. En nu antwoordde Örgü dat het plan-Van der Laan natuurlijk niet was wat de VVD zelf wilde. Het was ,,het hoogst haalbare compromis''.

Laat die woorden even door uw hoofd walsen, als wijn door een glas, en tel uw zegeningen dat er volksvertegenwoordigers zijn die gewoon weer zeggen wat ze denken. Ineenstorting als het hoogst haalbare.

Minder frank en vrij vond ik Joop Atsma van het CDA. Ook hij is veel ondervraagd over de mogelijke destructieve kanten van het kabinetsplan, zij het niet door mij, en gek, hij bleek die niet te zien. Ook in de opheffing van de NPS niet. Als die wilde voortbestaan, zei hij, dan was dat heel gemakkelijk. Ze hoefde van een stichting maar een ledenvereniging te worden, zoals een gewone omroepvereniging, en dan kon ze weer meedraaien. Niets aan de hand.

Behalve toch een kleinigheid. Want voor de goede orde, met excuses dat ik even technisch word – wanneer de NPS die uitweg kiest, wordt ze een aspirantomroep die op tv een paar uur in de week mag uitzenden. Daar kun je Sesamstraat in kwijt, wellicht ook nog het Sinterklaasjournaal, maar verder niks, en dat betekent dat de NPS precies zo hard ontmanteld wordt als bij een opheffing. Zoals ook Atsma weet. Of niet weet, maar dan blijkbaar niet veel weet van zijn beleidsterrein, en u mag zeggen wat u erger vindt.

Waarmee we aan Bert Bakker zijn, de Dritte im Bunde, die het weer heel anders aanpakt. In de zomer stuurde ik hem een e-mail, in de verwachting dat D66 van de drie regeringsfracties nog het meest aanspreekbaar was, en kreeg binnen het uur bericht retour. Verbluffend. Dat was nog eens aandacht voor de burger, helemaal niet wat je denkt, en toen ik de mail opende bleek aandacht nog zacht uitgedrukt. Hij zei daar dat hij van me hield. Tot vier keer toe, met uitroeptekens. Na een paar seconden drong het tot me door dat het bericht wellicht niet voor mij was bestemd. Dus weer een mailtje naar Den Haag gestuurd en andermaal per omgaande bericht. Inderdaad, haha, excuses, een reactie aan mij zou hij later sturen. Die is – u raadt het – nooit gekomen, ook niet na twee welwillende herinneringen.

Nu vindt u dat wellicht klein bier. Dat is het ook. Dat zijn de anekdotes over Atsma en Örgü ook. Maar niet wanneer je in de spanning zit van mensen die door toedoen van de politiek in chaos en onzekerheid worden gestort. Die hebben weinig anderen meer om zich op te richten dan hun volksvertegenwoordigers en worden dan zo kinderachtig om het hinderlijk te vinden als zo iemand de ineenstorting van hun werk als het hoogst haalbare omschrijft. Of over die ineenstorting liegt. Of voor het middaguur al tijd heeft voor een mailtje aan zijn meisje, maar niet voor hen – en de rest van de week ook niet, en de maanden daarop evenmin. Zij voelen zich dan, laat ik het er voor de zekerheid maar bij zeggen, genegeerd.

Het fascinerende is dat dit drietal daar geen idee van heeft. Of er althans geen boodschap aan heeft. Ik kan niet zeggen of zij representatief zijn voor de Kamer in het algemeen, maar het is indrukwekkend om te zien hoe weinig empathie ze weten op te brengen voor de werkelijkheid die ze vertegenwoordigen. Hun loyaliteit ligt in Den Haag, niet in het land, en of ze zich nu al dan niet bewust zijn van de destructiviteit van kabinetsplannen maakt niet eens meer uit. Moeten ze kiezen wat ze liever heel houden, zo'n plan of Nederland, dan kiezen ze – affijn, dat weten we nu dus.

Het meest afstotelijk van die ontdekking is dat ze zo naadloos aansluit bij het gangbare gekanker op Den Haag. Alleen al uit een afkeer daarvan heb ik lang gedacht dat het niet zo'n vaart liep met de Kloof tussen Burger en Politiek, de Kaasstolp van het Binnenhof, et cetera.

Het leek me dat daar veel kretologie en mediaverzinsel bijzat, plus de onwil te erkennen dat de politiek het ons niet altijd allemaal naar de zin kan maken. Maar ik ben om. De clichés zijn weer eens waar, de Kloof bestaat, en ik verzeker u dat ze nog dieper wordt, als je de blik wendt van de plannensteuners in de Kamer naar de plannenmakers in het kabinet.

Daarmee komen we aan Medy van der Laan. Een heel ander karakter dan het drietal in de Kamer. De paar keer dat ik haar kort heb mogen meemaken vond ik haar recht door zee, fanaat en op een sterk ambtelijke, formalistische manier ook slim. Zij wil iets, ze lijkt werkelijk iets voor het land van plan te zijn in plaats van voor Den Haag. Des te tragischer is het daarom te zien hoe reddeloos haar optreden inzake de publieke omroep daar bij aansluit.

Nu kun je zeggen dat de omroepen het haar ook niet eenvoudig maken. Als representanten van een kleine eeuw aan mediatraditie hechten ze aan hun verworven rechten, komen ze vaak moeizaam in beweging en zijn ze verdeeld. Je kunt je daarom voorstellen dat een staatssecretaris het model van eeuwig overleg een keer verlaat en domweg directieven gaat uitdelen. Maar het wordt ingewikkeld als die directieven niet één richting uitgaan, maar ten minste twee, die loodrecht op elkaar staan.

In dat soort tweeslachtigheid hebben Den Haag en Hilversum een eerbiedwaardige historie opgebouwd. Zo vraagt Den Haag al jaren van de omroepen om samen te werken en zich tegelijkertijd, alsof dat handig samengaat, te profileren. Of om zogeheten kwetsbare programma's uit te zenden, dus programma's voor een klein publiek, maar voor de financiering daarvan inkomsten te winnen uit reclame, die ze met dat soort programma's juist niet binnenhalen. Den Haag wil alles tegelijk, ze kunnen daar niet kiezen, en de omroepen proberen in dat krachtenveld een evenwicht te vinden.

Maar het kan nog ingewikkelder, zo blijkt bij Van der Laan. Zij wil de omroepen bestendig maken, op zichzelf natuurlijk erg te prijzen, tegen de onstuimige ontwikkelingen die de media te wachten staan, van een toenemende druk van commerciële zenders tot de opkomst van themakanalen. De publieke omroep moet dat alles overleven en de staatssecretaris hoopt dat voor elkaar te krijgen door de aloude tweeslachtigheid van het regeringsbeleid, nee, niet te doorbreken, maar juist een nieuwe dimensie mee te geven. Ze wil aan de ene kant dat omroepen herzuilen, dat wil zeggen terugkeren naar het unique selling point van hun ooit zo vertrouwde levensbeschouwelijke rol in het bestel. Ze wil aan de andere kant dat omroepen vermarkten, wat wil zeggen dat ze meer en meer hun eigen geld moeten verdienen door programma's aan te bieden buiten het bestel, dus aan de commerciële zenders.

Adembenemend dat zoiets bedacht wordt. Want natuurlijk, je kunt een publieke omroep vrágen commercieel te produceren. Je kunt alles vragen. Maar je weet dat die daar niet op is gemaakt en er dus waarschijnlijk niet goed in wordt. Je kunt een omroep vragen te herzuilen, ga je gang, maar je weet dat de kijker daar geen boodschap aan zal hebben in een samenleving die aan de verzuiling juist een einde heeft gemaakt.

Het zijn twee denkwegen die niet alleen haast onverenigbaar zijn, zoals zo vaak, maar ook nog eens, en dat is toch wel een bestuurlijk novum, allebei bij voorbaat al staan aangegeven met een bordje road to nowhere.

Wie gelooft je, als je uitlegt dat een ministerie zulke flauwekul verkoopt? Als buitenstaander zou ik zelf de eerste zijn om het weg te wuiven, want zo simpel kan het toch niet liggen. Maar zo simpel ligt het wel. In de hoogbouw van OC en W wordt gepraat over een wereld die slechts zijdelings verband houdt met de onze, en geen mens daar die klaarblijkelijk nog buiten komt, de staf niet en de stas ook niet. Bij al haar ijver voor het land weet ze van haar gezond niet af.

Nu zou dat niet zo ernstig zijn, als het dossier van de publieke omroep marginaal was, of atypisch voor ons land, of nieuw voor de beleidsmaker. Het tegendeel is waar natuurlijk. Het biedt een afspiegeling van een eeuw geschiedenis van Nederland, met zijn verzuiling en ontzuiling en toch voortleven van de restanten van de zuilen. Het is Nederland, nog meer dan andere onthutsende beleidsdossiers van het moment, en dat verraadt hoe het er bijstaat in Den Haag. Men zegt daar wel te hechten aan dat vaderlandse erfgoed, de aloude `pluriformiteit' van ons `veelstromenland', maar weet er zich in werkelijkheid geen raad meer mee.

Dat is des te merkwaardiger als je bedenkt dat politiek Den Haag zelf ook zo'n afspiegeling van Nederland is. Ook verzuild, ontzuilend en toch voortbestaand. Als er nog ergens in ons land affiniteit met dat historisch aangeslibde land zou moeten zijn, dan daar toch, zou je zeggen. Maar dat blijkt allesbehalve waar, en dat kon weleens te maken hebben met een andere historische traditie. Al net zo eerbiedwaardig – en verleidelijk doordat ze in de loop der jaren zoveel goeds gedaan heeft voor ons land dat je er haast geen kwaad meer van kunt denken.

Die traditie gaat terug tot 1945. De zuilen hadden ons land sterk verdeeld gehouden, met een zwakke overheid boven hun hoofd, maar na de oorlog viel dat niet meer vol te houden. De nijverheid lag plat, de woningnood was onaanvaardbaar, de gezondheid van het volk beroerd, er moest iets aan gedaan worden en gauw. Dat vroeg om een centrale leiding en de zuilen accepteerden dat de overheid die rol op zich zou nemen. In `Het Nieuwe Bestand', zoals het eerste naoorlogse kabinet ging heten, droeg iedereen zijn steentje bij voor het nut van het algemeen.

Van de opbouw van de industrie tot de instelling van sociale verzekeringen, van de inrichting van de maatschappelijke zorg tot de bouw van de deltawer-ken, van de samenwerking tussen de sociale partners tot de ruilverkaveling en nog veel meer – in de, zeg, twintig jaar na de bevrijding was het steeds de overheid die het voortouw kreeg. Rond het midden van de jaren zestig was er in de vrije wereld dan ook geen overheid te vinden die zo sturend was en zo diep in de samenleving doordrong als de onze.

Vernieuwing werd daarbij het sleutelwoord. De overheid trad niet op als hoeder van tradities, zoals in veel andere landen, ze bevrijdde ons daaruit en wist ons daar gelukkig mee te maken. Er kwam welvaart en vrije tijd. Er kwamen koelkasten en televisies en hun aantal nam nergens in Europa zo snel toe als bij ons. We feliciteerden onszelf dat we het land werden waar internationale trends het eerst voet aan de grond kregen, waar internationale bands het eerst verschenen om hun platen te pluggen. We werden door en door modern, het meest internationale aller landen.

Aangejaagd door dat succes perfectioneerde onze overheid haar technocratische benadering. De economische teleurstellingen in de jaren zeventig en tachtig gaven daar zelfs nieuwe reden voor. Om internationaal te blijven meedoen, moest de samenleving verder worden opgeschud. Geflexibiliseerd. Geoptimaliseerd. Werkloosheid omlaag en nationaal product omhoog. Het ging geheel in cijfers, statistieken, diagrammen, en zowaar – vanaf het midden van de jaren negentig betaalde alle inspanning zich uit en werden we opnieuw een land dat internationaal bewondering oogstte als een toonbeeld van vernieuwing.

Maar wel met een keerzijde. Er zat verlies in de winst. Verlies aan eigenheid en aan traditie, aan geschiedenis en aan weerbarstigheid, aan alles wat een land niet internationaal maar nationaal maakt. In haar hang naar vernieuwing had de overheid het halve land uit zijn wortelbed getrokken. Wat van oudsher aan een zuil of streek gebonden was, van zorginstellingen tot woningbouwverenigingen, werd onder het schaalvergrotende regime van onbetrokken management geplaatst. Wat van oudsher aan de staat gebonden was, van PTT tot Nuon, werd onder de tucht van de markt gebracht. Er werd zo stelselmatig in het weefsel van de samenleving ingegrepen dat daar weinig meer van overbleef, zoals er weinig van een lichaam overblijft dat elke dag een operatie ondergaat. De overheid sneed het kapot, dat is helaas het woord, en kon er op den duur niet meer mee ophouden, want dat was toch waar ze voor was? Ze deed toch wat ze altijd had gedaan en was toch een succes?

Het is die technocratische vervreemding van de samenleving die de overheid de laatste jaren steeds meer tot een destructieve kracht maakt. Ze vindt het nauwelijks meer nodig dat ze kennis heeft van wat ze onder handen neemt. Ze walst er overheen met veel gewapper van papier waarop de schema's staan die zoveel ordelijker zijn dan wij – en wij laten het gebeuren, al is het maar omdat we niet kunnen geloven wat we zien. De overheid weet immers wat goed voor ons is. Die richt zich toch niet tegen ons?

Nu zijn wij uit die droom inmiddels hard ontwaakt door de revolte van 2002. Fortuyn nam het niet enkel op tégen de technocratische overheid, toen nog tot mijn ontzetting, brave burger die ik was, hij nam het op vóór een organische samenleving, met alle traditie en historie die daar bijhoort. Hij wees naar het Nederland van de jaren vijftig en leende de titel van zijn Aan het volk van Nederland zelfs van een 18de-eeuwse patriot. Geschiedenis ter vitalisering van de samenleving het was origineel en dapper en God in de hemel, wat had hij achteraf gelijk.

Dat betekent niet dat er daadwerkelijk iets is veranderd, want de erfenis van Fortuyn is dubbelzinnig. Voortaan zou de overheid weer naar ons `luisteren', jawel. Maar ze zou ook weer `daadkracht' tonen. Dat is een spagaat van het model waar ook de omroepen het nodige vanaf weten, zoiets als samenwerken en je profileren tegelijk.

Maar de erfenis van 2002 kent nog een dubbelzinnigheid. Naast daadkracht moest er in de politiek ook weer debat zijn, openlijk, zelfs tussen coalitiefracties. Dat brengt een wederopstanding van oude strijdpunten teweeg die overeenstemming over een daad al gauw weer in de weg staat. Het CDA denkt dan aan christelijke inspiratie, de VVD heeft daar een broertje dood aan en D66 denkt aan weer iets anders, dat we hoogstwaarschijnlijk zullen horen als de woordvoerder van dienst is uitgemaild met zijn vriendin. Ze zijn het enkel eens op het terrein waarop ze dat altijd al waren, namelijk dat van de optimalisering, rationalisering, flexibilisering van zo'n beetje alles, en ze blijven dus precies zo technocratisch als voorheen. Of nog feller – anders zie je niet dat ze daadkrachtig zijn.

Dat er in deze dynamiek iets misgaat, valt inmiddels ook politici zelf op. Men spreekt met warmte over de gedachte aan een nieuwe Pim Fortuyn. Ja, sterker nog, men roept daar om. ,,Hij kan de man zijn die het ongeloof en het wantrouwen in de politiek wegneemt'', zei Boris Dittrich enthousiast toen Peter R. de Vries zichzelf als politicus lanceerde, en vergat in zijn verrukking helemaal dat zijn partijgenoot Pechtold net voor dat doel was aangetreden als minister van Spek en Bonen. Nee, dan Peter R., de man die politiek Den Haag beticht van alles wat lelijk is. ,,Laat hem maar beuken op de muren van het Haagse bastion. Ik zal de deur opendoen.''

Dat is een roerend blijk van hoop op beterschap, als je welwillend bent. Een Haags politicus die oproept tot een opstand tegen Haagse politici. Maar het is toch vooral een lachspiegelvariant van waar het in 2002 om was begonnen, een getuigenis van een revolte die is verkeerd in haar tegendeel. De politiek bevindt zich in een fuik. Politici willen soms heus wel veranderen, ze kunnen het alleen niet meer. Het technocratische beleid waarmee ze ons als burgers hebben opgeschud, heeft hen vastgezet.

Dat brengt ons op de hamvraag. Als de politiek er inderdaad niet in slaagt zich te bedwingen en verder gaat met snijden in het weefsel van de samenleving, ondanks het gemor vanuit het land – wat valt er dan nog te verzinnen om haar af te stoppen? Wie of wat kan dat?

Ik vrees dat ik daarop geen pasklaar antwoord heb en word ook niet geruster op de mogelijkheden, als ik zie hoe het nu verder gaat met Van der Laan, die helemaal in het sjabloon past van dit kabinet. Al formuleert haar plan een zekere herzuiling en probeert ze daarmee te ontsnappen aan de gevangenis van een puur technocratische benadering, in de praktijk heeft ze de mond vooral toch vol van de vertrouwde kwaakspraak van vernieuwing, flexibilisering en zo verder. Ze gebruikt de woorden haast als mantra's, het zijn nauwelijks meer argumenten. De wereld dient zich te voegen naar het plan, niet andersom.

Zo is de staatssecretaris, met excuses dat ik nog eenmaal technisch word, zes weken na aanvaarding van haar plan nog altijd bezig met die allereerste vraag hoe het nu met de NPS-programma's moet. Ze noemt daarbij in het bijzonder Andere Tijden, waarvoor dank, en doet zover ik zie haar best om het te redden, ondanks de bestuurlijke complicatie dat het een samenwerkingsprogramma is met de VPRO. Maar of dat lukt valt te betwijfelen, want leden van de vaste Kamercommissie Media wezen haar er onlangs op dat zulks in strijd lijkt met haar eigen regels, waarvan ik u de details hier zal besparen, en toen moest ze toegeven dat ze in haar huisgemaakte nieuwe orde zelf de weg kwijt was. ,,Als u het mij toestaat, wil ik even nadenken.''

Die scène laat in zakformaat het drama zien waar we op afgaan. Regels die zich overal in mengen, niets meer ongemoeid laten, hindernissen opwerpen, organisaties uit elkaar trekken en vernietigen – en dat terwijl het vóór de komst van dat papierwerk eigenlijk best aardig ging, in elk geval toch een stuk beter. Regels die geboren worden uit een misverstand waar het woord Kloof nog voor tekortschiet. Bleef het daar maar bij, een kloof, dan zaten wij hier en de politiek daar en hadden we geen last meer van elkaar. Zelfs dat verdomde woord blijkt een vergoelijkende term.

Nu vindt u misschien dat ik opnieuw met een cliché aankom. U weet die dingen al, u vindt dat soort destructieve regels haast gewoon. Dat kan. Maar dan durf ik er geld op in te zetten dat u ze nooit aan den lijve ondervonden hebt, want dan praat je niet zo. Dan word je sprakeloos van woede en merk je tot je huiver dat er niet alleen iets verandert in je buitenwereld, maar ook in je hoofd. De burger die elke vier jaar netjes stemde na zich goed geïnformeerd te hebben, die betrokken was en meedacht met de meningsvorming in ons land, die heeft ineens geen lust meer om zijn huis uit te komen voor de politiek. Hij houdt die deur op slot en staat erachter met een honkbalknuppel voor als ze straks komen, uit Den Haag. Hij weet het zeker, zoals je maar zelden zeker van iets bent. Dit is de vijand.

Zo voelt dat. Maar het laatste woord kan het niet zijn. Alleen al niet omdat het uitzichtloos is, maar vooral omdat die vijandschap te simpel is. De politiek mag zich dan erg met ons bemoeien, andersom bestaat die mogelijkheid ook. Elk land krijgt de politiek die het verdient, dus als wij deze krijgen zegt dat kennelijk iets over ons.

Dat betekent in de eerste plaats dat wij tot ons moeten laten doordringen wat ons gebeurt. Dat we ons niet moeten bedriegen dat de rampenplannen uit Den Haag, van omroep tot onderwijs en verder, te beschouwen zijn als incidenten. Ze zijn structureel. Ze maken deel uit van een cultuurstrijd op vele fronten en ze dreigen aanleiding te geven tot een hele trits aan parlementaire enquêtes als het kalf verdronken is – die over de publieke omroep schat ik in rond 2012.

Vervolgens zullen we moeten erkennen dat we de ellende over onszelf hebben afgeroepen. Dat de politiek zo ver kan gaan in het vernietigen van de tradities en de bijpassende instituties die het weefsel van een samenleving vormen, zou ondenkbaar zijn geweest als wij haar daar niet een halve eeuw in hadden toegejuicht. Het is een sterk geval van eigen schuld dikke bult. We krijgen op ons bordje wat we van onszelf niet hebben willen zien, de achterkant van ons vooruitgangsdenken.

Daartoe, ten slotte, zou het goed zijn als we ons de vraag stellen wat die tradities en bijpassende instituties ons nog kunnen zeggen. Dat is niet hetzelfde als een canon van de geschiedenis ontwikkelen, hoe nuttig dat ook zijn kan, en het is al helemaal niet hetzelfde als nieuwkomers in ons land het sterfjaar van Willem van Oranje uit het hoofd laten leren – dat valt meer onder het hoofdje hysterie.

Het gaat om iets heel praktisch. De restanten van tradities die nog bij ons zijn kun je beschouwen als relicten, zoals dat bijvoorbeeld vaak gebeurt met de verzuilde omroepen. Maar je kunt ook erkennen dat die clubjes ondanks het verlies van een geharnaste levensbeschouwing toch nog steeds een eigen sfeer hebben, een levensgevoel, een geest, en dat daarin ook voor het heden nog een waarde zit. Diffuus, jawel, en moeilijk te benoemen, maar wel levend. Het is levende geschiedenis, ook wel cultuur genoemd, en het is die geschiedenis die wij tegen onszelf zouden moeten beschermen.

Programmamaker bij het tv-programma Andere Tijden. Boekenrecensent van NRC Handelsblad. Auteur van `Een verhaal dat het leven moet veranderen'.

(Dit is een licht ingekorte versie van de door NRC Handelsblad en de Rotterdamse Kunsthal georganiseerde Pietje Bell lezing, donderdagavond.)

www.nrc.nl/opinie

Volledige tekst