De implosie van vertrouwen is van eigen makelij

Twee visies op de kloof tussen burger en politiek. Programmamaker Hans Goedkoop heeft lang gedacht dat het niet zo'n vaart liep. Maar de praktijk leert anders, zo heeft hij ervaren: alle clichés zijn waar, en nu staat de honkbalknuppel klaar. Paul Scheffer vindt dit aanschoppen tegen de politiek te makkelijk. Niet alleen de politiek, maar heel denkend en ondernemend Nederland treft blaam. Het probleem is het gebrek aan zelfvertrouwen.

Het gebrek aan vertrouwen van de burger in de politiek is niet alleen toe te schrijven aan de politici. De vertrouwenscrisis is het gevolg van de culturele zelfmoord van de elites en de roekeloze omgang met de verzorgingsstaat.

Nu we het zoveel hebben over `vertrouwen' kan men er wel zeker van zijn dat het een schaars goed betreft. En inderdaad, het maatschappelijke klimaat in Nederland wordt gekenmerkt door een vertrouwensbreuk die niet gemakkelijk lijkt te overwinnen. Dat blijkt alleen al uit de reacties op de studie die De Nederlandsche Bank deed naar dit verschijnsel. Onmiddellijk klonken er argwanende stemmen: de voorzitter van de FNV vond het maar verdacht dat bankiers zich met zulke problemen gingen bezighouden. Een hoofdredactioneel commentaar in Trouw ging nog verder en vond dat de president van bank, Nout Wellink, het land in de put praatte door te wijzen op het gebrek aan vertrouwen.

Kop in het zand: het is geen goed idee. Er is wel degelijk iets aan de hand en er zijn goede redenen om de kwestie van vertrouwen juist vanuit de economie te benaderen. Francis Fukuyama legt in zijn boek Trust nadruk op gedeelde geschiedenis als het fundament van goed functionerende markten: ,,Het vermogen om samen te werken is afhankelijk van reeds bestaande gewoonten, tradities en normen die vorm geven aan de markt.'' Vertrouwen is heel wat waard: het maakt een soepel economisch verkeer mogelijk, omdat er tal van informele omgangsvormen zijn. Omgekeerd dwingt wantrouwen tot formalisering en juridische garanties.

De onderzoekers die in opdracht van De Nederlandsche Bank de kwestie nader bekeken, citeren een studie die stelt dat ,,tien procent meer vertrouwen rond één procent meer economische groei per jaar is''. Dat zal wel niet zo precies te becijferen zijn, maar er is een onmiskenbare samenhang tussen vertrouwen in instituties als het parlement en vertrouwen in de economie.

Tegen die achtergrond moet het te denken geven dat het vertrouwen zoals gemeten in het onderzoek van De Nederlandsche Bank laag is. Neem het parlement: 20 procent heeft er helemaal geen vertrouwen in, niet minder dan zo'n 45 procent zegt daar niet zo veel vertrouwen in te hebben. Je kunt zeggen, dat was vijf jaar geleden nog wel anders en dus kan het ook weer omslaan. En toch, wanneer een op de vijf mensen in Nederland niet meer gelooft in de kerninstitutie van onze democratie, dan weten we dat de `opstand der burgers' nog lang niet is overwonnen.

Die afkeer van de Haagse politiek komt ergens vandaan. Hoe kan men van burgers verwachten dat ze vertrouwen hebben in de instituties, wanneer de dragers van die instituties zo weinig zelfvertrouwen aan de dag leggen? Zelfkritiek is de brandstof van een open samenleving, maar het is niet te veel gezegd dat volksvertegenwoordigers zelf momenteel druk doende zijn om het parlement te ontkrachten met hun voortdurende poging om de kloof tussen bestuur en burger te dichten. Momenteel komen de meest minachtende opmerkingen over de politiek `Haags gedoe' – uit de mond van parlementariërs zelf. Het gebrek aan vertrouwen is ook een dalend cultuurgoed.

De financieel-economische elites in Nederland delen in het tanende geloof in de politiek en zoeken naar manieren om zich te beschermen tegen de gezagscrisis van parlement en regering. Dat is toch een beetje de bange vraag die doorklinkt in het onderzoek en in het commentaar van Wellink: kan het afnemende vertrouwen zich als een inktvlek uitbreiden naar instituties die nu nog waardering oogsten, zoals de financiële instellingen? Wat als de geringe instemming met de euro de geloofwaardigheid van de centrale banken gaat aantasten?

Dat zijn terechte vragen, maar die kunnen gemakkelijk overlopen in een antipolitiek sentiment, dat toch al wijdverbreid is in het bedrijfsleven. Denk maar aan de woorden van Wisse Dekker, oud-topman van Philips, begin jaren negentig. Gevraagd naar zijn oplossing voor de economische problemen zei hij: ,,Ik zou met mijn vakministers een plan uitwerken. En dan zou ik zeggen: het parlement, daaraan moet je inderdaad verantwoording afleggen. Maar laat dat zich een jaar of drie stilhouden en de kans geven aan de ministers om de zaak te regelen.''

Toch ligt in een verdere beperking van het politieke domein niet het antwoord. De technocratische verleiding, zoals die blijkt uit de woorden van Dekker, moet worden weerstaan. En anders zouden de fraudezaken bij onder meer Ahold, Shell, Parmalat en Enron, om over de bouwfraude maar te zwijgen, tot iets meer bescheidenheid in het bedrijfsleven kunnen leiden.

Het is niet gemakkelijk om een complex verschijnsel als vertrouwen te duiden, maar het gebrek eraan heeft alles te maken met het onzekere functioneren van de democratie in tijden van globalisering. Te vaak beroepen politici zich momenteel op de dwang die uitgaat van de wereldeconomie: de dreiging van vooral de lagelonenlanden in het Nabije en Verre Oosten wordt vaak aangehaald om duidelijk te maken dat we boven onze stand leven. We moeten de sociale zekerheid wel afbouwen, of we het nu leuk vinden of niet.

Niemand zal ontkennen dat de liberalisering van de Europese markt of de opkomst van China geen dwang tot aanpassing met zich meebrengen, maar een open handelseconomie als de Nederlandse heeft zich van oudsher moeten voegen naar een veeleisende omgeving. Het misverstand is dat we enkel tot aanpassingen gedwongen zijn door anonieme krachten buiten onszelf, dat we ons moeten voegen naar normen die niet de onze zijn. Misschien vormt die druk wel een aanleiding tot hervormingen, maar uiteindelijk ligt de oorzaak van veel stagnatie in de inrichting van onze samenleving zelf. De vertrouwenskwestie is gesteld, omdat we roekeloos zijn omgesprongen met de verzorgingsstaat.

Gaan we in gedachten terug naar de tijd van de WAO-aanpassingen begin jaren negentig. De toenmalige minister van financiën Wim Kok werd niet moe te verklaren dat financiële tekorten dwongen tot een ingreep in de arbeidsongeschiktheidswetgeving, een ingreep die hij daags na het besluit daartoe zelf als onrechtvaardig betitelde. Wat niet in hem opkwam, was om te wijzen op het sociale schandaal dat schuilging achter de bijna één miljoen arbeidsongeschikten. Waarom zouden we iemand van 26 die het niet redt voor de klas, levenslang het stempel `ongeschikt' op het voorhoofd drukken?

Uiteindelijk gaat het niet om een financieel, maar eerder om een sociaal of moreel probleem. Buitenlandse commentatoren zagen dat overigens heel goed. In een mooie beschouwing van een Britse commentator in The Spectator over de omgang met stress in ons land konden we bijvoorbeeld lezen: ,,Stress is nooit het gevolg van incompetentie of gebrek, maar altijd van onvolkomenheden op de werkplek.'' Hij hekelde de arbeidsongeschiktheidswetgeving, die werkgevers en werknemers een veel te gemakkelijke uitweg bood in simulantengedrag.

Mijn stelling is dat het vermogen tot aanpassing in een samenleving afhankelijk is van een eigen idee van ordening. Wanneer dat laatste wegvalt, zeg maar wanneer we werkelijk gaan denken dat democratie in tijden van globalisering vooral een kwestie is van slikken of stikken, dat we allemaal burgemeesters in economische oorlogstijd zijn, dan zal de weerstand tegen aanpassing enorm toenemen.

Kritiek op de machteloze verzorgingsstaat moet gebaseerd zijn op een idee over burgerschap. Pas dan kunnen we een omslag in het denken bewerkstelligen. Ik ben het met SER-voorzitter Wijffels eens: ,,Sociale zekerheid moeten we meer gaan zien als een investeringsproject, niet als een kostenpost.'' Juist uit naam van een streven naar emancipatie moeten we een nieuw evenwicht vinden tussen de kernfuncties van de sociale zekerheid en een moderne economie.

Kijken we bijvoorbeeld naar de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Het argument is nu te veel: we moeten wel die leeftijd gaan verhogen, omdat we daartoe gedwongen worden door de vergrijzing. Het wordt allemaal onbetaalbaar. Het argument zou ook kunnen zijn: de gemiddelde leeftijd is enorm gestegen sinds de oorlog, de gezondheid is beter dan ooit en de werkdruk is in fysiek opzicht voor de meeste beroepen in een postindustriële samenleving gedaald. Waarom zouden we het talent en de ervaring zo verspillen door te denken dat het eigenlijk een raar idee is om boven de 65 of 60 nog te werken?

[Vervolg op pagina 16]

SCHEFFER

De geloofsafval is begonnen in het centrum

[vervolg van pagina 15]

Het Museumplein liep vorig najaar vol met een bondgenootschap van behoudzuchtigen, die verworven rechten wilden beschermen. Inmiddels zijn de oppositiepartijen, die zich achter de demonstratie schaarden, enigszins van hun geloof gevallen. Ze lijken het eens te zijn met tal van de hervormingen die de regering wil neem de versoepeling van het ontslagrecht, waar Femke Halsema nu voor pleit. Toch zullen de weerstanden die door de vakbeweging met enig succes werden aangesproken, alleen maar overwonnen worden door een herijking van de sociale zekerheid die mensen niet het gevoel geeft dat ze de macht over hun leven kwijtraken, maar juist meer greep op hun leven geeft.

Eigen verantwoordelijkheid is nu te veel het credo van een overheid die niet meer in zichzelf gelooft en daarom de verantwoordelijkheid bij de burgers wil leggen. Het doet afbreuk aan de bestaanszekerheid, wanneer deze maatregelen onderdeel uitmaken van een reeks hervormingen zonder einde. Wellink zei terecht dat aanpassingen van de sociale zekerheid moeten plaatsvinden op een betrouwbare en voorspelbare manier. Hij verwees naar het Amerikaanse voorbeeld: in 1983 is daar besloten om twintig jaar lang de pensioengerechtigde leeftijd elk jaar met een maand te verhogen.

Laten we het indringender hebben over de scheve verhouding van de generaties en beter kijken naar ideeën als een inkomensafhankelijke oudedagsvoorziening. Het gaat allereerst om een kritiek die zich richt op elementen van de sociale zekerheid die een obstakel voor sociale stijging zijn geworden. Recent kwam ik in een boek met levensverhalen van migranten verschillende keren een opmerking tegen van vrouwen met jonge kinderen die actief door het arbeidsbureau ontmoedigd werden om te gaan werken.

Het huis van de verzorgingsstaat is uitgewoond door wanbeheer. Wanneer we vooral denken in termen van dreiging, zullen geen nieuwe meerderheden ontstaan die een hervorming van de verzorgingsstaat willen steunen. We kunnen nog steeds de vraag centraal stellen ,,welke maatschappij we willen zijn'': de vrijheidsgraden om te handelen zijn ruimer dan we denken, omdat veel van onze problemen van eigen makelij zijn.

Willen we het verlies aan balans in onze samenleving begrijpen, dan moeten we niet enkel kijken naar sociaal-economische kwesties als de toekomst van de sociale zekerheid, hoe belangrijk die ook zijn. Wat we nodig hebben, is een dubbele boekhouding: de economie en de cultuur van vertrouwen zijn met elkaar verweven en we moeten het probleem van beide kanten benaderen. Begrippen als sociaal kapitaal of cultureel kapitaal suggereren een zoektocht in die richting. Anders gezegd, de ruimte tussen de krijtstrepen van de economie moet worden opgevuld.

De wezenlijke vraag is: hoe gaan we om met ons onderwijs en onze cultuur in een wereld die steeds internationaler wordt? Sommigen beweren dat het idee van een Nederlandse cultuur achterhaald is, daarvoor is de globalisering al veel te ver doorgedrongen. We zijn allemaal wereldburgers geworden. Ook hier zou niets anders resten dan een aanpassing. De logische slotsom is om bijvoorbeeld het Engels in te voeren als eerste taal in het onderwijs.

Deze onzekerheid onthult een tekort van regering en oppositie: niet alleen wordt onvoldoende geld beschikbaar gesteld voor onderwijs en cultuur, maar het beleid op deze terreinen is richtingloos. Opnieuw moet de vraag worden gesteld: waarom zouden we vertrouwen hebben in instituties zoals het onderwijs, die worden gedragen door mensen met zo weinig zelfvertrouwen?

In zijn boek De wankele zuil heeft de Nijmeegse godsdienstsocioloog Thurlings in de jaren zeventig het verval van de katholieke zuil beschreven. Zijn belangrijkste stelling is dat het verval niet aan de rand is begonnen als een sluipend proces van erosie, maar in het centrum langs de lijnen van een implosie. De elite van theologen en priesters verloor zijn geloofszekerheden en dat is beslissend geweest. Hij ziet een bevestiging van de verbreiding van de crisis vanuit het centrum naar de rand in het gegeven dat het aantal priesterroepingen sneller daalt dan de zondagse kerkgang, die weer vlotter afneemt dan de deelname aan de verzuilde organisaties. ,,De openheid leidt bij de voorhoede en later ook bij de achterhoede tot een zekere voorkeur voor ontzuiling.''

Zo is het ook gegaan met de `geloofsafval' van de intellectuele en politieke voorhoede. De onwil om de eigen cultuurgeschiedenis te onderhouden en over te dragen in het onderwijs, was heel sterk in de afgelopen decennia. Dat ging hand en hand met de gedachte dat kennisoverdracht sowieso een achterhaald idee was. Onderwijs zou in het teken moeten staan van het `leren om te leren'. Als we de klaagzang op de universiteiten horen over de scholieren die men binnen krijgt, heeft die aanpak, om het mild te zeggen, schipbreuk geleden.

En denk vooral niet dat het om academische exercities gaat: vertrouwenskapitaal kan worden opgebruikt. In de studie van De Nederlandsche Bank wordt terecht vastgesteld dat vertrouwen niet uit de lucht komt vallen: ,,Door herhaalde samenwerking ontstaat een gezamenlijke geschiedenis van interacties en gedrag.'' En: ,,Betrouwbaar gedrag in het verleden vertegenwoordigt daarmee een economische waarde voor de toekomst.'' Maar ook een culturele waarde: burgerschap heeft alles te maken met de gedachte dat we niet enkel in het hier en nu leven, maar dat er iets aan ons is voorafgegaan en na ons zal komen, dat gedrag in het verleden gevolgen heeft. En dat is stelselmatig genegeerd in het onderwijs.

Wie wil weten wat er in Nederland aan de hand is, kan beter de videobeelden van de begrafenis van André Hazes nog eens afdraaien, dan de verzamelde hoofdredactionele commentaren van deze krant herlezen. De verregaande relativering van de eigen cultuur en geschiedenis heeft paradoxaal genoeg bijgedragen aan een naar binnen gekeerde reactie in de samenleving. Wat bij elkaar hoort onderhoud van het erfgoed en openheid tegenover de wereld is steeds verder uit elkaar gedreven. Het gevoel dat je een van deze moet kiezen, brengt geen verlichting, maar verkramping.

De Britse historicus Jonathan Israel presenteerde in zijn Pierre Bayle-lezing vorig jaar een bijtende diagnose over de malaise in Nederland. Het zijn niet zozeer de fundamentalisten die het land uitdagen, maar eerder de elites die een ,,culturele zelfmoord'' hebben gepleegd: ,,Principes als tolerantie, democratie, rechtvaardigheid, persoonlijke vrijheid en vrijheid van meningsuiting kunnen slechts worden verdedigd door mensen die begrijpen wat deze principes betekenen, hoe ze ontstaan en ontwikkeld zijn en waarom ze van belang zijn.'' Hij ontzegde de elite die opzichtig het onderhoud van het eigen verleden had veronachtzaamd, dan ook het recht om krokodillentranen te huilen ,,om de plotselinge opkomst van een nieuwe barbarij, filisterij en fanatisme''.

Vitale instituties van onze cultuur worden verschrikkelijk slecht onderhouden. Waarom ontstaat er geen grotere woede in Nederland wanneer een overheid eindeloos en vooral richtingloos experimenteert met het belangrijkste culturele en sociale kapitaal dat we hebben, namelijk het onderwijs? De farce die we studiehuis noemen, zou toch op zijn minst het voorwerp van een parlementaire enquête moeten zijn. Eigenlijk zou dertig jaar onderwijspolitiek, van vooral sociaal-democratische snit, moeten worden onderworpen aan een gedegen verantwoording. De journalisten Martin Sommer en Hans Wansink bepleitten dat al eerder in een mooie reeks artikelen in de Volkskrant.

In kringen van de oppositie hoor je wel dat het eigenlijke probleem deze regering is. Maar het moet onmiddellijk worden gezegd: Nederland is echt niet het enige land waar onzekere bestuurders worstelen met boze burgers. Noem een regering die wel kan bogen op een grote mate van instemming. En bovendien: het gebrek aan vertrouwen in ons land treft alle partijen. Regering en oppositie zijn beide verstrikt in dezelfde impasse. Tekenen aan de wand zijn er genoeg: het overdonderende `nee' tegen de Europese Grondwet maakte dat wel duidelijk. Ook de oppositiepartijen werden in de steek gelaten door hun eigen kiezers. Het zit echt dieper dan het veronderstelde gebrek aan charisma van onze premier.

Niet alleen de politieke klasse, ook denkend en ondernemend Nederland heeft veel uit te leggen. De nonchalance waarmee belangrijke instituties als de verzorgingsstaat, het onderwijs of de media zijn bejegend, is echt niet alleen aan Den Haag toe te schrijven. De onttakeling van de publieke omroep is bijvoorbeeld ook het werk van de omroepen zelf. Maar het noodzakelijke zelfonderzoek wordt uitgesteld door een iets te gemakkelijke afrekening met de `wereldvreemde' volksvertegenwoordigers die alles van waarde kapotmaken.

We kunnen een kentering vaststellen: het idee wint terrein dat herstel van vertrouwen gebaseerd moet zijn op een inzicht in eigen tekorten op sociaal en cultureel gebied. Alleen door een nieuwe aandacht voor burgerschap kunnen we uit de globalisering een meerwaarde putten. Een wantrouwige samenleving stelt zich namelijk niet open voor wat van buiten komt. Er is geen reden tot gelatenheid, al was het maar omdat veel van de problemen van onze samenleving niet voortvloeien uit dreigingen van buiten, maar vooral uit een misplaatst gevoel van onkwetsbaarheid in de achter ons liggende jaren.

Publicist. Buitengewoon hoogleraar Grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam.