De gestileerde armoe van Jan van Hell

De krant van Jan Proleet, zo heet de reclamestrip die de Amsterdamse kunstenaar Jan van Hell aan het eind van de jaren twintig van de vorige maakte.

Jan Proleet wil zonder mankeeren

Op een krant zich aboneeren.

Maar welke? Veel bladen vallen af. Alle katholieke kranten, de Telegraaf en ook het Handelsblad, dat als een heer met een hoge hoed wordt voorgesteld.

Daar hij van eigen zaak wou lezen

Mocht het geen bourgeoiskrant wezen.

Zo luidt het onderschrift. Dat Jan tenslotte kiest voor Het Volk (`van d'arbeid tolk') is dan geen verrassing meer. Alles op de tentoonstelling over Jan van Hell (1889-1952), nu in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem, kan in verband gebracht worden met het socialisme. De kunstenaar was zeer sociaal bewogen, hij werkte voor de Arbeiders Jeugd Centrale (de AJC) en de SDAP. Hij illustreerde en ontwierp boeken als Plant een meiboom en Wat nu kleine man? En hij deed dat voor Bondsdrukkerij De Volharding, voor Het Roode Baken en de Arbeiderspers.

Van Hells schilderijen zijn altijd figuratief gebleven. Na onder meer een expressionistische fase, waarin hij sterke landschappen maakte in de trant van de Bergense School, met veel donkere blauwen en zwaar aangezette contouren, kwam hij tot de stijl waardoor zijn werk direct te herkennen is. De figuren zijn een beetje hoekig met afgeronde schouders, hij gebruikte vlakke, genuanceerde tinten. De meeste mannen dragen platte petten. Je ziet, als je het zou moeten samenvatten, zeer esthetische, gestileerde underdogs. Zó gestileerd en zo mooi gecomponeerd, dat je nu, vijfenzeventig jaar later, twee keer moet kijken om iets van de aanklacht te begrijpen die er consequent in dit werk zit. In de voorstelling met de oude en de jonge dienstbode, die braaf een kleedje uitkloppen onder toeziend oog van een norse mevrouw met de handen op de heupen. Of in het volk dat zich aan een vuurkorf verwarmt en ook in de vele straatmuzikanten die Van Hell uitbeeldde met hun trompetten en tuba's of zingende zaag tegen een neutrale, bijna lege, achtergrond.

De laatste, de man met de zingende zaag (uit 1934), is geheel opgebouwd uit vale grijzen en beige tinten met een vleugje rood voor de lippen en bruin voor de strijkstok. De compositie is ijzersterk: de geconcentreerd spelende figuren links op de voorgrond worden in evenwicht gehouden door de antracietkleurige diender die rechtsboven komt aanlopen. Deze heeft, in tegenstelling tot de spelers, eigenlijk geen gezicht. Hij is alleen herkenbaar aan zijn pet, een paar licht aangestipte glimmende knopen en niet te vergeten aan zijn houding. Van Hell was er een meester in om via de houding van zijn personages het meest essentiële uit te drukken.

Jan van Hell wilde zijn onderwerpen zodanig vereenvoudigen dat elke arbeider, elke ongeletterde, ze onmiddellijk kon begrijpen. Of dat in de praktijk ook zo werkte is niet zeker. De recensenten uit zijn tijd schreven niet zozeer over zijn boodschap maar vooral over zijn stijl, die, net als die van zijn tijdgenoten Bart van der Leck en Chris Beekman, als vreemd en vernieuwend werd beschouwd. Na de Tweede Wereldoorlog, toen in Nederland het abstracte geweld van Cobra losbarstte, raakte Van Hell, zoals zoveel figuratieven, geheel in de vergetelheid.

Johan van Hell was een veelzijdig man. Hij was blijkbaar een uitstekend klarinettist (die in het Concertgebouworkest onder Mengelberg speelde). Ook gaf hij les. Op de dertig jaar oude film die op de tentoonstelling wordt gedraaid, komt Dick Dooijes aan het woord, oud-directeur van de Rietveld Academie, die Van Hell op de lagere school als tekenleraar had. Hij toont tekeningen die hij als klein jongetje onder zijn leiding op straat had gemaakt en altijd bewaard had. ,,Van Hell heeft me geleerd wat Vrije Expressie was, lang voordat die term een begrip werd in het onderwijs'', meldt Dooijes.

Op een van Van Hells schilderijen zie je een grote groep marcherende AJC'ers die, begeleid door fluit en banjo, een lied zingen. Het is niet moeilijk te raden wat dat kan zijn. Op de film hebben ze een muziekje onder dit beeld gezet. Dat klinkt uit de verte ook vaag op de tentoonstelling door. Een medebezoeker, een keurige, al wat oudere heer die zich vol interesse over een vitrine buigt, begint eerst met zijn voet te stampen, dan te neuriën en tenslotte klinkt De Internationale luid door de museumzaal. Van Hell zou tevreden zijn. Want artistieke erkenning was voor hem nooit het enige doel.

Tentoonstelling: Van de straat. Het sociaal engagement van Johan van Hell. T/m 12 februari. Museum voor Moderne Kunst Arnhem. www.johanvanhell.nl

De mooie publicatie van Tineke Reijnders, Koosje Hofman en Bart de Cort (Uitg. Terra/Lanno) kost € 22,95.