Valse vergelijkingen

In hoeverre zijn schrijven en lezen te vergelijken met musiceren en luisteren? ,,Een overeenkomst van belang is het zitten, het uren maken.''

a mijn psychologiestudie ging ik piano studeren aan het conservatorium. Tot ongeveer mijn veertigste jaar heb ik het pianospel beoefend naast mijn werk als psycholoog en psychotherapeut. Ik werkte eerst in de zwakzinnigenzorg en later op het Amsterdamse conservatorium, waar ik eindexamen piano had gedaan. Toen ik mij verder in de psychotherapie en de psychoanalyse wilde bekwamen, veranderde ik van werkkring en kwam ik op het Nederlands Psychoanalytisch Instituut terecht. De inzet en tijd die dit werk vergde, stond het piano studeren in de weg. Ik sloot het klavier en begon gedichten te schrijven. De eerste bundel verscheen in 1991. Inmiddels ben ik de auteur van 12 boeken: 6 dichtbundels en 6 prozawerken.

U kunt daaruit concluderen dat ik in mijn leven heel veel gezeten heb. Jarenlang achter het klavier, jarenlang achter de schrijftafel. En dan reken ik de jaren dat ik in de spreekkamer tegenover of achter een patiënt zat nog niet eens mee.

Ik ben natuurlijk niet de eerste of de enige die muziek en literatuur met elkaar in verband brengt. De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard wilde zanger worden vóór hij schrijver werd. In zijn boek Der Untergeher spreekt hij zich bij monde van de verteller radicaal uit: ,,Zonder de muziek, zonder de PRAKTISCHE muziek verkommerde ik.'' In de roman sluit de op deze wijze verkommerde verteller zijn klavier en begint te schrijven als schrale troost.

Laten we het eerst hebben over deze `praktische' muziek en over de praktijk van de literatuur. Het eerste dat als een groot verschil imponeert is het onderscheid tussen creatie en reproductie. Zittend aan de piano speelt men de werken die door anderen zijn bedacht en opgeschreven; de schrijver bedenkt zelf wat en hoe hij schrijft.

Ik kan me het haast griezelige gevoel van bevrijding herinneren toen ik met schrijven begon. Het leek op wat ik voelde als kind bij het leren fietsen of schaatsen. Naast dat triomfantelijke gevoel gaf het zelf bedenken van tekst ook een besef van losgelaten en verdwaald zijn. Vrijheid is mooi, maar houvast is ook wel prettig.

Als we louter naar dit creatieve aspect kijken, heeft de schrijver meer gemeen met de componist dan met de uitvoerder. Wie muziek componeert moet net als de schrijver een vorm en een taal ontwerpen die bij luisteraar of lezer verborgen emoties losmaakt en kanaliseert. Daartoe moet hij in zichzelf de invallen die met deze emoties samenhangen, durven toelaten. De maker moet het proces van kritisch kijken en doorstrepen kunnen uitstellen, anders komt er niets op papier. Het evenwicht tussen de creatieve en de kritische instantie is essentieel voor het actieve kunst maken. Als het creatieve aspect overweegt wordt het kunstwerk een uitstorting van ongeordende impulsen; als het kritische de overhand neemt krijgen we een bloedeloos en intellectualistisch product, of het nu een roman of een pianosonate betreft.

De pianist daarentegen, de uitvoerder, hoeft het proces van impulsen beleven en deze inkaderen in een passende vorm niet zelf te initiëren. Hij moet datgene wat de componist heeft doorgemaakt wel durven navoelen en in zijn vertolking tot uitdrukking brengen.

m tot `vertolking' te komen, om de door Thomas Bernhard zo benoemde `praktische muziek' te beoefenen, moet er veel gebeuren. De pianist gaat, liefst zo jong mogelijk, in training. Het gaat niet vanzelf.

Het grote verschil tussen het verwerven van taal en het leren bespelen van een instrument, ligt in de motorische eisen die deze klankproductie stelt, nog versterkt door de aanwezigheid van het instrument, dat in het lichaamsschema moet worden opgenomen. Van oudsher is er een langdurige opleiding aan het musiceren verbonden. Om musicus te worden moet je naar het conservatorium en als het allemaal lukt, krijg je een diploma. Vergelijkbare opleidingseisen worden aan dansers, toneelspelers en schilders gesteld. Ik denk dat de literatuur de enige kunstvorm is waar je zonder diploma naar binnen mag.

De behoefte aan taal is zo groot dat we allemaal leren spreken. Als kind worden we ondergedompeld in een bad van taal en we willen meedoen. Namen geven aan de dingen. Uitdrukken wat je wensen zijn. Iets waar je vol van bent vertellen aan een ander. De dingen van de voorbije dag vertellen aan jezelf.

Onze hersenen zijn toegerust voor het verwerven van taal; als er maar tegen het kind gesproken wordt leert hij de taal moeiteloos, geholpen door deze neurofysiologische dispositie enerzijds en de enorme contacthonger anderzijds. Dit betekent niet dat iedere taal-spreker ook schrijver kan worden; wel dat het basismateriaal waar de schrijver mee werkt al in zijn bezit is, hij hoeft het zich niet door training eigen te maken.

Naast de creatie/interpretatie-kwestie en naast het punt van de beschikbaarheid van het basismateriaal is er een derde verschil dat mij opviel in mijn zittende positie. Als ik schrijf komt er steeds meer tekst op het papier; die tekst heeft een begin en gaat naar een einde. Onderweg laat ik dingen zien, leg ik eventueel iets uit en houd ik de dosering van de gegevens in de gaten.

Zittend aan de piano hoef ik geen structuur te maken, maar moet ik de structuur van het stuk dat ik studeer doorgronden. Ik hoef niet wat ik zelf voel om te zetten in tekst, maar ik moet registreren wat de noten die de componist schreef in mij oproepen. En ik moet oefenen. Beweging, gewichtsverdeling, vingerzetting inslijpen. Snelheid opvoeren, automatiseren, in grotere eenheden gaan denken. Herhalen. Wat ik vandaag voor elkaar krijg zal morgen weer zijn weggezakt. Dan begin ik opnieuw en zal ik wat eerder het gewenste niveau bereiken. Zo gaat het van dag tot dag door, steeds opnieuw beginnen en steeds op een iets hoger niveau eindigen.

Schrijven is een lineair proces, je bouwt morgen verder op wat je vandaag hebt opgeschreven. Piano studeren is cyclisch van aard, je begint elke dag opnieuw en klaar is het eigenlijk nooit.

Zijn er, naast deze verschillen, ook overeenkomsten?

Een overeenkomst van belang is het zitten, het uren maken. Voor zowel schrijven als pianospelen is tijd, regelmaat en discipline nodig. In het begin schreef ik zoals een amateur piano speelt: bevlogen, meegesleurd door het materiaal. Mijn tegenwoordige manier van werken is minder fanatiek en kent meer regelmaat. Net als een professionele pianostudent werk ik, als ik schrijf aan een verhaal of roman, iedere dag. Ik laat me niet verleiden om dóór te schrijven als het lekker gaat, maar houd op als ik een, tevoren vastgestelde, hoeveelheid tekst op papier heb gekregen. Meestal twee A-viertjes, met de hand. Als het niet of slecht lukt, ga ik toch door tot de regels gevuld zijn. De volgende dag herzie ik de productie en verbeter ik waar ik niet tevreden over ben, voor ik verder ga. Naast alle dagelijkse taken die moeten gebeuren is er voortdurend het besef van het werk waaraan ik schrijf. Dat kleurt de hele schrijfperiode en ik mis het als het verhaal is ingeleverd, precies zoals ik een muziekstuk mis als het eenmaal is ingestudeerd.

Dan komt trouwens nog een andere overeenkomst tussen beide kunstdisciplines aan het licht: de teleurstelling dat het dit geworden is en niet iets anders. Als je begint zou je over het onderwerp waarover je wilt schrijven alle mogelijke boeken kunnen maken, ook het ideale, het definitieve boek. Met elke zin die je op papier zet spits je de richting waarin je gaat toe en verklein je het aantal mogelijkheden tot uiteindelijk dit geschreven boek overblijft. Is dit het nu? Ja, dit is het.

o voelt het ook een beetje als de pianosonate is ingestudeerd; uit alle mogelijke interpretaties heb ik deze gekozen. De teleurstelling is hier lichter, want ik weet dat er een herkansing komt als ik het stuk later opnieuw ga studeren. De troost van een mogelijke herkansing ken ik wel als dichter, niet als prozaïst. Een tweede roman over Kapitein Cook zal ik wel niet meer schrijven, maar tijdens het afronden van een gedicht denk ik wel eens aan het volgende over hetzelfde onderwerp.

We hebben muziek en literatuur met elkaar vergeleken uit het gezichtspunt van de actieve beoefenaar. Laten we ons nu verplaatsen in de lezer en de luisteraar. Neurologisch onderzoek heeft uitgewezen dat muziek en taal in ons brein elk een eigen gebied bestrijken. Het begrijpen en produceren van taal vindt plaats in centra in de linker hersenhelft, muziek hoort thuis in de rechter hemisfeer. De neurologie leert ons ook dat de hersenhelften verschillende functies hebben en ieder op eigen wijze met zintuigelijk materiaal omgaan. Grof gezegd staat links voor het analytische, in de tijd geordende denken en rechts voor het globale, meer diffuse ervaren. In de verte doet dat denken aan het zojuist besproken verschil tussen het `lineaire' schrijven en het `cyclische' musiceren. Het roept ook de psychoanalytische termen `primair en secundair proces' in gedachten. Onder secundair proces verstaat men het rationele, bewuste denken, gekenmerkt door logica en samenhang. Het primair-proces-denken daarentegen kennen we bijvoorbeeld uit de droom; hier geen oorzaak en gevolg, maar gelijktijdigheid en affectbeladen gewaarwordingen die moeilijk in taal te benoemen zijn. We nemen aan dat het `denken' van de baby zich volgens het primair proces voltrekt en dat het kind zich gaande de ontwikkeling het secundair-proces-denken eigen maakt. Dus: denken en taal aan de ene kant, gesteund door de verbale verworvenheden van het opgroeien; voelen en muziek in de andere helft van het brein, een overspoelende erfenis van de vroegste kindertijd.

Maar zo eenvoudig is het toch niet. Beide manieren van denken blijven naast elkaar bestaan gedurende ons volwassen leven, en meer recent neurofysiologisch onderzoek toont aan dat de strikte localisatie van hersenfuncties die met taal en muziek te maken hebben, lang niet altijd opgaat. Tussen de twee hersenhelften bestaan dwarsverbindingen die geactiveerd kunnen worden en onder invloed van de prikkels, de ervaringen die we tegenkomen, kunnen groeien.

De muzikaal ongeschoolde luisteraar verwerkt muziek met de rechter hersenhelft, dat is waar. Maar tijdens de muzikale scholing gebeurt er iets merkwaardigs: de linkerhelft gaat het overnemen. Ik kan me dat proces nog goed herinneren. Toen ik op het conservatorium begon, was ik een hartstochtelijk muziekliefhebber; na een jaar of twee theorie-onderwijs in contrapunt, solfège en harmonieleer was mijn vurige liefde verdwenen. Ik luisterde met analytische oren en gebruikte dus mijn linkerhersenhelft. Tegen het einde van de opleiding kwam de liefde terug, kennelijk had er tussen rechts en links een integratieproces plaatsgevonden. Toen het verlies mij overkwam maakte dat me ongerust; later heb ik hetzelfde verschijnsel gezien bij talloze conservatoriumleerlingen en begreep ik dat het een noodzakelijke stap is in de ontwikkeling tot musicus. De integratie van rechts en links kent zelfs een anatomisch substraat: wie serieus piano studeert bouwt aan de verbindingsvezels tussen de rechter en de linker hersenhelft. De hippocampus, een belangrijke brug tussen de hersenhelften, is bij pianisten omvangrijker dan bij anderen.

e keken naar de wijze waarop muziek en taal in de hersenen worden verwerkt. Maar wanneer en in welke mate worden de prikkels toegelaten, hoe is het gesteld met de aandacht van de lezer en de luisteraar? Hier zien we een opvallend verschil tussen beide kunstvormen. Een roman of een verhaal leest men meestal maar één keer, een muziekwerk daarentegen kan je keer op keer horen. Hoewel je weet wat er komt verveel je je niet. Juist het anticiperen op de bekende passages ervaar je als spannend. De herkenning is een hoogtepunt, maar bij het lezen van een roman zorgen herkenning en voorspelbaarheid juist voor verveling. Een roman prikkelt de nieuwsgierigheid en doet in zekere mate een beroep op het rationele denken; je wilt weten hoe het afloopt. Toch gaat ook deze vergelijking tussen taal en muziek niet helemaal op. Er bestaan taalproducten die net zo herhaalbaar zijn als muziekstukken: gedichten. Een gedicht lees je steeds opnieuw; het gaat kennelijk niet om het verhaal, maar om iets anders. Om de emotie die het oproept? Het gedicht lijkt op een lied en heeft daar vaak ook kenmerken van, zoals indeling in strofen, terugkeer van bepaalde klanken, herhaling van woorden of zinnetjes. De poëzie bestrijkt een overgangsgebied tussen taal en muziek. Het is geen wonder dat ik, komend uit de muziekwereld, het terrein van de literatuur ben binnengeslopen via de dichtkunst.

Muziek vindt toegang tot ons op een wijze die al vroeg in de ontwikkeling is geworteld. Het globale, `oceanische' gewaarworden kennen we al vanaf het vroegste begin van ons leven; het belang van herkenning en herhaling, en het daaraan beleefde genot, is een kenmerk van de vroege kindertijd. De literatuur daarentegen doet een beroep op de verstandelijke, symboliserende en abstraherende vermogens, die pas later tot ontwikkeling komen. Toen ik in het begin van mijn loopbaan in de zwakzinnigenzorg werkte, maakte ik mee hoe verbaal onbenaderbare patiënten tot rust kwamen via muziek. Als mijn zoon, drie jaar, niet in slaap kon komen, vroeg hij me om te spelen en liet hij zich door de muziek zodanig geruststellen dat de slaap kwam. Natuurlijk is muziek ook op intellectueel niveau te genieten en te begrijpen, maar het werkelijke geheim schuilt naar mijn mening toch in de universele aangrijpingskracht.

In onze tijd noemt men muziek de hoogste kunst. Muziek is het toppunt van abstractie, ze ontstijgt alle concrete betekenisgeving en verwijst naar niets. Tegelijkertijd is er geen kunst die zo in staat is mensen te ontroeren. Dat is vreemd, want het abstracte ontroert niet. Als voorbeeld een verhaal dat ik van mijn collega Henk Bernlef hoorde. Na afloop van een literaire lezing kwam er een vrouw naar hem toe die hem een zelfgemaakt gedicht liet lezen. Ze vertelde dat zij door haar vriend onlangs was verlaten; ze had over die verlating geschreven en wilde Bernlefs commentaar horen. Hij las een gedicht vol abstracte woorden: liefde, verraad, wanhoop. Het was duidelijk dat de vrouw verdriet had, maar aan het gedicht was dat niet te voelen, deze woorden konden het niet overbrengen. Henk dacht na en vroeg de vrouw of haar vriend bij zijn vertrek ook iets had achtergelaten. ,,Ja'', zei ze, ,,een das, een rode das. Hij hangt nog aan de kapstok.'' ,,Nou'', zei Henk, ,,dan moet u het volgende gedicht eens met die das beginnen.''

En zo werkt het ook. In de literatuur zijn het de kleine, concrete dingen die ontroeren en niet de abstracta. Ontroering door muziek is van een andere orde en heeft met concreet of abstract niets te maken. Muziek brengt een ontroering teweeg die overweldigt, we voelen ons opgenomen, overspoeld, we zijn ervan overtuigd dat deze muziek precies verklankt wat wij voelen, maar als iemand vraagt `wat dan?', weten we niets te zeggen. Muziek is, in die zin, ongrijpbaar en wordt daarom nogal eens gevaarlijk gevonden. In de film Dead man walking trekt een non zich het lot van een ter dood veroordeelde man aan en wil met hem meelopen op zijn laatste tocht, naar de ruimte waar de executie zal plaatsvinden. Ze bespreekt de gang van zaken van tevoren met de gevangenisdirecteur en vraagt of ze tijdens die wandeling een lied mag zingen. De directeur schudt zijn hoofd: ,,Dat moet u maar niet doen. Van muziek gaan mensen iets voelen, en dat kunnen we hier niet hebben.'' Hij heeft gelijk; tijdens dodenherdenking en begrafenis komen de tranen zelden bij de toespraken en altijd bij de muziek.

uziek slaat vroeger zijn wortels in ons dan taal. Ontvankelijkheid voor muzikale prikkels bestaat al vóór de geboorte, als de baby de hartslag van de moeder ervaart. Het kind associeert deze eerste muziek met veiligheid en welbevinden; dat is te merken als we later de huilende baby tegen de borst houden en het kind onder invloed van het vertrouwde ritme tot rust komt. Het gewiegd en getroost worden raakt gekoppeld aan muzikale elementen in een periode waarin taal nog geen rol speelt als betekenisdrager. Daarom voelen wij ons later door muziek zonder woorden begrepen. Het beluisteren van muziek activeert vroege symbiotische verlangens.

Terugverlangen naar een pre-verbale, gelukzalig symbiotische situatie is echter maar de helft van de menselijke staat. Het kind wil ook de symbiose uit en verwerft zich op verschillende terreinen autonomie. In die ontwikkelingsgang is taal het belangrijkste werktuig, de verbalisatie redt ons uit de symbiose. Taal betekent denken, wensen en meningen formuleren - kortom: een zelfstandig, afgegrensd wezen zijn. De ontwikkelingslijn van symbiose naar autonomie is niet een tocht door verschillende kamers die na doorgang voorgoed worden afgesloten. Er bestaan deuren tussen die vertrekken. Soms zijn die, door wat voor oorzaak ook, niet meer open te breken; soms blijven ze gedurende iemands hele leven openstaan. Wat er uit de allervroegste periode tot ons doordringt is vaak chaotisch en angstaanjagend. Toch hoort die kant ook bij ons en herkennen we dat als iemand daar vorm aan geeft.

Kunstenaars zijn zulke vormgevers van het ongrijpbare. Bij hen staan de deuren tussen de ontwikkelingsstadia op wijde kieren. Zowel de scheppende als de uitvoerende kunstenaar is in staat om telkens weer het bestaande evenwicht op te geven en oude angsten en impulsen toe te laten. Dankzij zijn kunst is hij bij machte afstand te nemen en het ongrijpbare materiaal te hanteren, te bewerken. Zo is er een voortdurend heen-en-weergaan tussen vervloeien en ordenen. In de muziek is dit proces het duidelijkst zichtbaar en het aangrijpendst, omdat het daar gaat om hele vroege gevoelstoestanden die nog niet in taal zijn ingekaderd. De muziek roept deze bedreigende gevoelens, waar we ook zo naar verlangen, op en plaatst ze in een structuur die ons geruststelt. De literatuur, en zeker de poëzie, doet dit eveneens, maar de betekenis van de woorden en het overzicht dat het verhaal biedt, behoeden de lezer voor verzinken en houden hem vast in de werkelijkheid.

`De architectuur van het onzichtbare', zo benoemde Leonardo da Vinci de muziek. In dit citaat zou ik een paar letters willen veranderen: muziek is de architectuur van het onzegbare.

Het bovenstaande is een ingekorte versie van de Albert Verwey-lezing die Anna Enquist donderdag 17 november uitsprak als gastschrijver aan de Leidse universiteit. De volledige tekst is te lezen op www.nrc.nl/kunst.