Op of onder het water

Voor architecten en stedenbouwkundigen, voor de hele ruimtelijke ordening in Nederland, zijn goede opdrachtgevers onmisbaar. Daarom bestaat er ook voor hen een jaarlijkse prijs: de Gouden Piramide.

Een mammoettanker: dat is de ruimtelijk ordening, zei Jan Pronk met een zekere moedeloosheid toen hij er als minister over ging. Te oordelen naar de vijf projecten die genomineerd zijn voor de Gouden Piramide had hij gelijk. Deze majeure ingrepen in de inrichting van Nederland vergen jaren van overleg en procedures. De verbouwing van Nederland is nooit af.

De Gouden Piramide, waar een bedrag van 50.000 euro aan is verbonden, is geen prijs voor architecten of andere ontwerpers, maar voor hun opdrachtgevers. Dit zijn de voor het publiek meestal onzichtbare pakkenmannen die in vergaderkamers met systeemplafonds bepalen hoe Nederland eruit ziet. Daarom is het een belangrijke prijs: zonder opdrachtgever geen opdracht, zo simpel is het. Zelfs de creatiefste architect, stedenbouwkundige of landschapsarchitect zal erkennen dat hij pas tot een goed ontwerp kan komen als hij een heldere opdracht heeft en een stevige opdrachtgever. Het eerste wat Adri Duivesteijn deed toen hij directeur werd van het pas opgerichte Nederlands Architectuurinstituut, was een cursus opzetten voor opdrachtgevers.

Voor de Gouden Piramide zijn dit jaar achttien projecten ingezonden waarvan de jury er vijf heeft genomineerd; morgen wordt de winnaar bekend op een bijeenkomst in het Nederlands Architectuurinstituut die 's middags om 16.30 uur bij de Avro wordt uitgezonden. De prijs bestaat sinds eind jaren tachtig, maar de naam en de opzet zijn inmiddels veranderd. Vorig jaar ging de Piramide naar de Westergasfabriek in Amsterdam. Dit jaar waren de `macro'-ingrepen aan de beurt. Uit achttien inzendingen selecteerde de jury de Zuidas en IJburg in Amsterdam, de Zuidtangent tussen Haarlem en Schiphol, de W4 bij Leiden en de Blauwe Stad in Groningen. De projecten zijn nog niet af, maar hoe ze eruit zullen zien en hoe ze gefinancierd worden staat al wel vast.

Je zou kunnen zeggen dat de vijf projecten een dwarsdoorsnede vormen van de ruimtelijke kwesties die Nederland bezighouden. De Blauwe Stad moet het platteland een nieuwe economische basis geven. De Zuidas en de Zuidtangent danken hun bestaan aan het geleidelijk opschuiven van Amsterdam richting luchthaven, IJburg aan het feit dat de hoofdstad voor zijn nieuwe woonruimte naar het oosten moet uitwijken. En W4 is een poging de steeds bredere snelweg tussen Amsterdam en Den Haag in de omgeving in te passen.

Het architectonische of landschappelijke ontwerp krijgt in dit proces al doende een andere functie, een politieke. Bestuurders zetten het ontwerp en de ontwerper in - of verschuilen zich erachter - om hun voornemens aan de man te brengen. Bij een ontwerp horen namelijk kleurrijke tekeningen, mooie plaatjes en bevlogen verhalen die beeldender zijn dan de gemiddelde nota of structuurvisie. Zo wordt de ontwerper als hij niet oppast een stroman voor de beslissers, iemand die met lonkende vergezichten datgene moet zien te bereiken waar de echte verantwoordelijken niet meer toe in staat zijn.

Langlopende projecten als deze druisen tegen de tijdgeest in: alles is nu gericht op snel, doelgericht, hup resultaat. Maar dan moet je het uit je hoofd laten om een flink deel van Groningen onder water te zetten, of een nieuwe woonwijk in het water voor 40.000 mensen te bouwen. De politiek heeft doorgaans een horizon van vier jaar - tot de volgende verkiezingen - en projectleiders wisselen elkaar nog sneller af. Dat komt de continuïteit niet ten goede van projecten waar twee, drie decennia over wordt gepraat voordat de eerste bulldozer verschijnt.

Het valt op dat de mensen die bij dergelijke mega-projecten betrokken zijn, het nauwelijks over het resultaat hebben, maar vooral over het proces, het overleg, de meestal moeizame samenwerking met de talloze betrokken partijen. Het is alsof ze aan het eind van de rit geen puf meer hebben om zich bezig te houden met het resultaat waar het hele circus om begonnen was. Daarvoor is de zeggenschap te versplinterd en ontbreekt het aan gezamenlijke 'drive'.

Twee van de genomineerde projecten hebben veel met water te maken: de bouw van IJburg veroorzaakte consternatie door de aantasting van het IJmeer, de Blauwe Stad vanwege het binnenhalen van het water in een gebied dat nog niet zo lang geleden was drooggelegd. De Piramides zullen in de toekomst vaker voor waterwerken worden toegekend. Hoe essentieel snelwegen en woonwijken ook zijn, en hoe ijverig gemeentes en provincies ook met elkaar samenwerken, het zullen de waterschappen zijn die het meest te vertellen krijgen over wat waar, en vooral waar niet, mag worden gebouwd. Met het stijgen van de zeespiegel, de aanwas van water uit het achterland in de grote rivieren en het leeggezogen land dat steeds dieper inklinkt, zal het water een nijpende kwestie worden in de ruimtelijk ordening.

In het verleden hebben rampen, dreigingen en overlast Nederland tot imposante technische hoogstandjes aangespoord: de aanleg van de Stelling van Amsterdam en de Hollandse Waterlinie, de Deltawerken, de dijkverhoging. Niemand zit te wachten op een ramp, maar eerlijk is eerlijk, een effectief argument is het wel.