`Op het lyceum had ik het leuk'

In de derde aflevering van `17', een serie gesprekken met bekende vrouwen, journaliste Heikelien Verrijn Stuart.

,,Mijn moeder is van een generatie voor wie oorlog normaal is en vrede abnormaal. Dat heeft zich diep in mij genesteld. Als ik aan de jaren vijftig denk, krijg ik een naar gevoel: revivals met meubels uit die tijd associeer ik met lelijke, schrale armoede en grijze zondagen. Maar ook een mannetjescultuur, of het nu de heren in de politiek waren of de rock'n'rollers, die zich op geen enkele manier weerspiegelden in mijn vrijzinnig-christelijke lagere schooltje.

,,Ik was gek op opstellen schrijven en met een aantal vriendinnetjes heb ik onder het huiveringwekkende motto: `Eendracht maakt macht' een schoolkrantje opgericht. Doordat we verhuisden naar een andere buurt, kwam ik op het Instituut Wolters terecht. Daar kwam ik de spijkerharde kant van Den Haag tegen, waar alle kinderen hockeyden en je werd afgerekend op de kleur van je kniekousen. Leerkrachten pestten kinderen. Kinderen pestten elkaar. Het was een materialistisch soort snobisme dat ik niet kende. Ik was met onzichtbaarder waarden opgegroeid, met de vanzelfsprekendheid dat je later de wereld in ging om iets bij te dragen, en niet alleen om er zelf beter van te worden.

,,Ik heb toen wel gedacht: `Wie ík ben, dat pakken ze me niet af.' Punt. Later, op het Vrijzinnig-Christelijk Lyceum, heb ik het alleen maar leuk gehad. `School en democratisering' was het grote thema van die tijd. Alles moest anders: conferenties, teach-ins, `je' en `jij' tegen leraren. Veel mensen die oprecht dachten dat we iets moois aan het doen waren. De jaren zestig: wat willen wíj? Als we toen hadden volgehouden: voorzichtig met het milieu, niet te veel aan materie hechten, eerlijk delen met de rest van de wereld... Ik vind dit nog steeds de lichtpuntjes in onze geschiedenis.

,,Ik ging rechten studeren omdat ik journalist wilde worden, de droom van iedere schoolkrantredacteur. Maar toen ontmoette ik in Amsterdam de journalistieke incrowd: zelfingenomen mannetjesijdelheid waar ik me lam van schrok. Ik besloot: dan maar rechten studeren om de rechtenstudie zelf.

,,Ik heb altijd een aversie gehad tegen partijpolitiek, zowel van links als van rechts. Je moet kritisch zijn, tegenover je vrienden en tegenover je vijanden. Ik hield van de eenlingen: Che Guevara, Oriana Fallaci als oorlogsverslaggever, Belle van Zuylen, Tucholsky. Ik las de Literator en de Holbewoner, de brieven van Tourgenjev en Tolstoi. Sinds het V.C.L. Nieuws op de middelbare school ben ik altijd bij tijdschriften betrokken geweest: het juridische tijdschrift Ars Aequi, het vrouwen-en-recht-tijdschrift Nemesis en de International Justice Tribune.

,,Het Radio 1 Journaal vroeg mij in 1996 de rol van commentator/verslaggever bij het Joegoslaviëtribunaal op mij te nemen. Je maakt aantekeningen, probeert te onthouden. Opmerkingen die ik later uitwerk. Terwijl ik luister, ben ik al aan het ordenen. Dat geeft enige afstand, maar er zijn onverwachte momenten dat een gebeurtenis of een zin recht naar mijn ziel gaat. Een vrouw vertelde hoe ze haar man in een van de bussen zag stappen om weggevoerd en vermoord te worden. Hoe vaak had ik zoiets al niet gehoord, maar ineens sloeg het toe. Ik voelde dat ik helemaal beroerd werd.

,,Een parketwacht kwam naar me toe en zei: `U bent spierwit, gaat het wel goed met u?' Maar ik blijf kijken en luisteren naar de daders. `Wie ben je nou eigenlijk? Hoe komt het dat je hier bent terechtgekomen, waar ligt het omslagpunt naar totale willekeur en wreedheid? Want ooit was je een klein jongetje.' Milosevic is de ultieme `gewone man'. Voor hem is alles gepolitiseerd en dus is alles propaganda. Milosevic denkt dat de rechters slechts politieke instrumenten zijn. Dat was zijn eigen rechterlijke macht immers ook!

,,Wat me het meest verbaast, is dat ik in die negen jaar dat ik nu - week in week uit - op de radio vertel over de Balkan, de overeenkomsten met Nederland niet opvallen. Hoe dicht wij die slachtofferistische, agressieve cultuur zijn genaderd. Dat men niet ziet dat het geen exotisme, zigeunercultuur of communistische onderdrukking is. Je ziet het in de grote steden: de dolle agressie en de acceptatie daarvan.

,,Ik ben een optimist van aard. Aan de ene kant denk ik dat het nooit meer goed komt, aan de andere kant helpt het dat ik niet alleen maar mopperend aan de kant sta. Er wordt in dat internationale juridische wereldje een serieuze poging tot het goede gedaan. En dat ik daar aan kan bijdragen, is een voorrecht.

,,Op college leerde ik: als je het niet kunt zeggen, dan weet je het niet. Dat is het recht bij uitstek: een maatschappij in woorden vangen. Het onzegbare is het domein van de kunstenaars en de liefde.''