Meer dan aangeschoten baronnen

Met de Nieuwe Nederlandse Operette bestaat sinds het opheffen van de Hoofdstad Operette voor het eerst weer een gespecialiseerd, professioneel operettegezelschap. Volgende week gaat de eerste productie, Der Vetter aus Dingsda, in première. In het Nederlands.

De violen zwieren in zoete foxtrot, een tenor zingt in een vertrouwde melodie Ich bin nur ein arme Wandergesell. En meteen weet je: dit is geen opera of musical, dit is operette. Een genre, dat ondanks de `belegen' reputatie nooit over het aantal liefhebbers te klagen heeft gehad.

Het liedje is een hoogtepunt uit de operette Der Vetter aus Dingsda (`De neef uit daarginder') uit 1921 van Eduard Künneke, die woensdag in première gaat in Rijswijk. Het stuk is van de plank gehaald door De Nieuwe Nederlandse Operette (DNNO), en daarmee is er voor het eerst sinds het verdwijnen van de Hoofdstad Operette een operette te zien die is gemaakt door een gespecialiseerd, professioneel Nederlands ensemble. Incidenteel worden wel traditionele operettes gebracht door gezelschappen uit het voormalige Oostblok. Dat genre is niet wat DNNO-initiatiefneemster, sopraan Muriël van Dinteren (39), voor ogen staat. ,,Ik wil operette die totaal niet aansluit op wat mensen van het genre verwachten'', zegt ze. ,,Het klassieke operettepubliek heeft niet het eeuwige leven. Ik wil operette maken voor mijn eigen generatie. Onbekende operettes in frisse regies.''

Het is een druilerige novemberdag. In de kantine van Theater De Uitstek in Zwijndrecht begint een doorlooprepetitie van de eerste acte van Der Vetter. Het decor toont een klassieke theateromlijsting, waar in zilveren letters `Vetter!' op staat. ,,Het doet me denken aan circustenten'', wijst Van Dinteren. ,,Mijn vader was bij het circus, mijn oom was concertmeester bij de Hoofdstad Operette. Ik weet waar ik het over heb.''

In lijstjes met culturele do and don't's staat operette aan de verkeerde kant. Geen componist die zich er nog aan waagt. De komst van een bloeiende musicalcultuur lijkt de vraag naar licht muziektheater volledig te hebben overgenomen. Maar in de praktijk kent Nederland nog altijd ruim honderd amateurverenigingen die zich bezighouden met operette. Het opheffen van het operette-uurtje op Radio 4 leidde tot zoveel klachten, dat het in gewijzigde gedaante terugkeerde.

Smalle beurs

Toch was het op de professionele podia sinds de opheffing van de Hoofdstad Operette in 2000 stil rond operette in Nederland. Hans Nieuwenhuis, nu directeur van Opera Studio Nederland, was aangetrokken als artistiek leider van het gezelschap. Hij heeft die functie nooit vervuld, omdat bleek dat zijn subsidieaanvraag van vijf miljoen euro per jaar maar voor de helft werd gehonoreerd. ,,Het ministerie geloofde er gewoon niet in'', zegt Nieuwenhuis nu. ,,`Muziektheater voor 65-plussers met een smalle beurs', noemden ze het. Bespottelijk, wat een kortzichtigheid! Operette bloeit overal behalve in Nederland.''

De 2,5 miljoen gulden die het ministerie wél voor licht muziektheater overhad, werd overgeheveld naar het Fonds voor de Amateurkunst en de Podiumkunsten (FAPK). De Reisopera betaalde er in 2004 succesvolle producties van The Mikado en Die Fledermaus van, en dan waren er nog wat losse initiatieven. Maar achter de schermen werden plannen gemaakt voor de twee gespecialiseerde operettegezelschappen die nu voor het eerst van zich laten horen. DNNO is de koploper; grootschaliger is het Nederlands Operette Theater (NOT) van regisseur Eddy Habbema (58). Vanaf oktober 2006 brengt het zijn eerste productie - waarschijnlijk Offenbachs La Vie Parisienne - in negentig zalen. ,,In deze initiatieven hebben we vertrouwen'', zegt Ben Hurkmans. Zijn fonds heeft beide gezelschappen een startsubsidie verleend; 350.000 euro voor de DNNO en 450.000 euro voor Habbema.

In 2010 is iets meer dan de helft van de Nederlandse bevolking ouder dan veertig. Als de `oude' operetteliefhebber uitsterft, ontstaat tegelijkertijd een groep `ouderen' die groter wordt dan ooit, en die ,,nu misschien wel niet door het aanbod wordt bediend'', vermoedt Hurkmans. Op die groep richt het NOT zich. Habbema wil ook de vergrijzende markt bedienen. Mogelijk is er animo voor, erkent Hurkmans. ,,Er is een groot publiek dat niet naar de opera gaat, maar wel het geluid van een geschoolde stem waardeert. Maar het blijft een gok.''

Het is verhoudingsgewijs een kleine gok. De zaalbezetting van de Hoofdstad Operette was zelfs in zijn laatste jaren nog negentig procent. Hurkmans vindt dat de operette-nieuwe stijl zich moet bewijzen in de markt. Dan kijkt een nieuw kunstenplan er vanzelf anders tegenaan. Volgens Habbema heeft het succes van de musical bewezen dat het mogelijk is publiek te kweken. De tijd is rijp voor operette, ,,voor nostalgie naar een galantere tijd'', gelooft hij. ,,Kijk maar naar het enorme succes van André Rieu. De wals tilt mensen boven hun zorgen uit.''

Rode kleurstof

Een lange tafel strekt zich uit over het podium. Er liggen dikke stukken plastic vlees op, en er staan rijk gevulde karaffen rode wijn. ,,Nog een plakje fricandeau, en een lekker glas bordeaux!'', zingt een corpulent echtpaar in Gooise tweed-look. Wijn klotst over de kostuums heen. ,,Maar goed dat dit nog niet de echte pakken zijn'', zucht Vetter-regisseur David Prins. Of de `de indrustriële rode kleurstof' die als Chateau Margaux dienst doet ook uitwasbaar is, moet nog blijken.

Wie bij operette denkt aan kristallen kroonluchters, ploppende champagnekurken en ruisende belle époque-jurken, komt in Zwijndrecht overigens bedrogen uit. De Nieuwe Nederlandse Operette is niet uit op het laten vloeien en gloeien van Wiener Blut. ,,Operette is meer dan walsen en aangeschoten baronnen'', zegt artistiek leider Van Dinteren.

Voor het rehabiliteren van de `authentieke' operette, werkt ze samen met de Berlijnse operettehistoricus Kevin Clarke, oprichter van het in Amsterdam gevestigde Operetta Research Center. ,,Je moet een onderscheid maken tussen de `gouden' operette van het eind van de negentiende eeuw en de operette van 1905 tot 1945'', vertelt Clarke. ,,In de `zilveren' operettes zoals Die Lustige Witwe van Léhar (1905) en Die Csárdásfürstin (1915) van Kálmán speelt de wals een dominante rol. Maar na 1918 werden de invloeden uit de jazz veel belangrijker. In de jaren twintig was operette een decadent, revue-achtig genre dat in niets doet denken aan Offenbach of Strauss. ,,Het was absurdistisch, met nonsensteksten en lange rijen showgirls. Meer cabaret dan puur muziektheater, en met een duidelijke Broadway-invloed. Natuurlijk werd erin gezongen, maar de schoonheid van de stem speelde geen rol.''

Zoals de opera's van Händel na de opkomst van de authentieke uitvoeringspraktijk anders zijn gaan klinken, zo zou je ook de operette moeten oppoetsen, vindt Clarke. ,,Dat betekent: operette met acteurs die kunnen zingen én een breed publiek aanspreken. Paul de Leeuw en Karin Bloemen zouden er geknipt voor zijn. Dan zitten de zalen - net als in de jaren twintig - vanzelf weer vol.''

Der Vetter aus Dingsda is zo'n roaring twenties-operette. De melodie van het ensemble O werter Verehrter is zo aanstekelijk dat ze de hele dag in je hoofd blijft zingen. De Batavia Foxtrot swingt en wringt en maakt volkomen aannemelijk dat het in 1921 dé seizoenshit was. ,,De operettes van toen wijzen rechtstreeks naar Kurt Weills Dreigroschenoper vooruit'', zegt Clarke. ,,Alleen speelt niemand die muziek meer zo. Er is een gepolijste saus overheen gegoten.''

Bij DNNO is Der Vetter vertaald in het Nederlands en speelt het verhaal ook hier. Dat lijkt een adaptatie, maar is authentiek. Holland was voor de operette een droomland van molens, tulpen en klompen. De Amerikaanse president Roosevelt ging prat op zijn Hollandse roots en na zijn herverkiezing in 1905 ontstond er een echte Holland Mania. Een reactie daarop waren de Broadway-operettes The Red Mill van Victor Herbert en Miss Hook of Holland van Paul Rubens; successen die volgens Clarke ook in Duitsland en Oostenrijk een Holland-trend veroorzaakten. In die context ontstond ook Der Vetter, een verhaal over twee rijke weesmeisjes in Holland en hun neef die is vertrokken naar Batavia (Nederlands-Indië). ,,Zijn komst wordt afgewacht met ragtimes, tango's en paso-dobles'', vertelt Clarke. Dat was typisch voor de operette van toen, en tevens de oorzaak dat het genre na 1933 een gedaanteverwisseling onderging. Hitler was operetteliefhebber, maar het genre stond bol van de `ontaarde' invloeden. ,,De nazi's hebben de operette toen ideologisch omgevormd tot een saai genre met brave verhaaltjes.''

De operettes van joodse componisten als Ábrahám, Kálmán, Oscar Straus en de met een joodse vrouw getrouwde, en dus ook `rassische versippte', Eduard Künneke werden vervangen door de `gouden' Weense operettes, gezongen door de top-operazangers van die tijd. ,,Maar de beste operazangers werden later middelmatige zangers, en bij de huidige operetteverenigingen is het de dorpstenor'', zegt Clarke. ,,Wie denkt dat dát is hoe operette moet worden uitgevoerd, sluit onbedoeld aan bij ideologieën waar hij niets mee te maken wil hebben.''

Toneelman

In `het veld' worden de operette-initiatieven met een slag om de arm toegejuicht. Opera Studio-directeur Nieuwenhuis: ,,Ik draag ze een warm hart toe, maar vraag me af of je met een klein budget operette kunt maken waarvan een wervende kracht uitgaat. De dialogen, de dansjes - om dat te kunnen zonder van schaamte in de orkestbak te storten, moet je én heel goed zijn, én ervaring hebben. Daarvan zijn er weinig. Want de kans die ervaring op te doen, was er in Nederland niet.''

Het NOT is al in overleg met conservatoria, onder meer dat van Tilburg, en wil een operettestudio opzetten. Habbema: ,,Ik ben een toneelman, ik weet dat het acteren een struikelblok is in operette. Zolang die studio er niet is, zoeken we mensen die al acteerervaring hebben: operazangers die in musicals hebben meegedaan. Of mensen uit de lichte muziek wier stemmen goed genoeg zijn om operette aan te kunnen. Want alleen goed acteren, is ook niet genoeg. De geilheid van de noten speelt in operette een cruciale rol.''

DNNO probeert het met jonge zangers, wie het dansen nog makkelijk afgaat. Kevin Clarke haalt er de schouders over op. ,,In de twenties vond niemand dat operette moest worden uitgevoerd met operazangers. Tenor Richard Tauber was de enige die in beide genres werkte, en die liet zijn stem in operette bewust meer schlagerachtig klinken. Nee, ik blijf dromen van Das Hollandweibchen van Kálmán, met Karin Bloemen in klederdracht in de hoofdrol.''

`Der Vetter aus Dingsda' door De Nieuwe Nederlandse Operette. Première: 30/11 Rijswijkse Schouwburg. Daarna tournee t/m 7/1. Inl.: www.dnno.nl Over de Holland-operette verscheen van Kevin Clarke vorig jaar een boekje in de serie AO (nr.2814), te bestellen via www.actueleonderwerpen.nl