Katka

Het is een onwrikbaar ritueel geworden.

's Avonds, voor het slapengaan, springt mijn kat naast me op bed, gaat op haar zij liggen en wacht spinnend af. Of ik zin heb of niet, er moet gestreeld worden. Een minuut of drie, vier. Dan staat ze bruusk op en verdwijnt zonder te groeten in de nacht.

Merkwaardig beest.

Ze is de minst lichamelijke kat die ik ooit heb gehad. Op schoot komt ze liever niet, ze laat zich evenmin graag oppakken, ze wil alleen zittend op de grond geaaid worden, op momenten die zij daarvoor heeft uitgekozen. Dat nachtelijke afscheid is het summum van intimiteit dat ze kan opbrengen, maar daarin gaat ze dan weer verder dan mijn vorige katten.

Ik zou er niet over begonnen zijn (mijn kat schaamt zich dood als ze deze indiscreties leest), als ik niet net bij Franz Kafka gelezen had hoe mens en kat ook zonder enige intimiteit met elkaar kunnen omgaan. Bij Kafka zijn de rollen omgedraaid: hij gebruikt de kat louter instrumenteel, als middel om muizen te vangen. Elke toenaderingspoging van de kat weert hij af.

Kafka leed aan tuberculose en ging om aan te sterken vaak naar zijn zusje Ottla, die in Zürau, een dorpje op het platteland, woonde. In haar huis maakt hij in november 1917 zijn eerste `muizennacht' mee, `een verschrikkelijk evenement', zoals hij aan zijn vriend Felix Weltsch schrijft.

,,Wat is dat voor een verschrikkelijk stom lawaaiig volk! Om twee uur werd ik wakker door een geritsel bij mijn bed en van dat moment af hield het niet op voor het ochtend was (...) Ik was totaal hulpeloos, nergens in mijn hele wezen een houvast, opstaan, licht opsteken durfde ik niet, het enige was een paar keer schreeuwen, waarmee ik ze bang probeerde te maken.''

Kafka neemt een tegenmaatregel, hij haalt voortaan ,,de kat, waar ik stilletjes altijd het land aan had'', naar zijn kamer. Het nadeel is dat hij haar vaak moet wegjagen als ze op zijn schoot wil springen. Ook is hij, jawel, bang voor haar `bedsprong' als hij probeert te slapen. ,,Muizen verjaag ik met de kat, maar waarmee moet ik de kat verjagen?'' schrijft hij wanhopig aan zijn vriend.

Bovendien is de kat onzindelijk, ze doet haar behoefte in ,,het binnenste van mijn pantoffel''. Dat is niet verwonderlijk, want uit zijn beschrijvingen blijkt dat hij niet geleerd heeft een kat zindelijk te maken. Hij laat de kat op kleed en canapé piesen en merkt pas later dat `een doos met zand' wel wil helpen. ,,Het is iets buitengewoons als je het met een dier eens bent geworden'', schrijft hij dan tevreden.

Maar er bestaat een nog veel groter obstakel tussen kat en Kafka. Hij beseft dat hij niet graag met de kat alleen is, dat hij het onaangenaam vindt om zich ,,voor haar uit te kleden, gymnastiek te doen, naar bed te gaan.''

Hier wordt zijn situatie hopeloos.

Een mens, en zeker een man, die zó geremd is dat hij zich niet in aanwezigheid van zijn poes durft uit te kleden, zal het ook in de menselijke liefde moeilijk krijgen. Dat was bij Kafka dan ook in hoge mate het geval. Hij hunkerde naar aanrakingen, maar wilde tegelijkertijd onaanraakbaar zijn. Zo werd hij een diep ongelukkig man.