Jammer voor de feiten

In Innerlijke vaart, zijn enkele maanden geleden verschenen zomerdagboek, beschreef Robert Anker wat hem eind jaren zestig overkwam. Hij was eenentwintig, hij voelde zich niet ouder dan zeventien en hij moest trouwen. Hij verhuisde met zijn zwangere echtgenote van West-Friesland naar Amsterdam om daar, zoals hij het zelf uitdrukte, `een grote jongen' te worden.

Zijn wortels lagen in het dorp Oostwoud, maar dat had hij in zekere zin al achter zich gelaten toen hij in Hoorn de HBS ging volgen. In Medemblik woonden zijn vrienden, die daar de ULO volgden of al werkten. In sociaal opzicht paste hij, als timmermanszoon, goed bij zijn Medemblikse vrienden, maar in intellectueel opzicht voelde hij zich meer thuis in Hoorn. Zo raakten gevoel en verstand bij Anker al vroeg in de knoop. Ook in Amsterdam raakte hij verstrikt tussen verschillende culturen: als sigarenboer leidde hij een heel ander leven dan als student en later leidde hij als leraar Nederlands een heel ander leven dan als dichter. Hij bleef een jongen van het volk, maar hij had ook hogere ambities. Je zou dit het drama van Ankers leven kunnen noemen, vaak aangestipt in zijn gedichten, verhalen en romans: een dorpsjongen die zich moet zien te handhaven in de stad en zich steeds weer voor onmogelijke keuzes ziet gesteld. Aan zijn verknipte hoofdfiguren in De terugkomst van kapitein Rob (1992), Vrouwenzand (1998) en Een soort Engeland (2001) gaf hij het verlangen mee om ergens echt bij te horen, maar meer dan aan dat ideaal snuffelen mochten ze niet. Daarom bleef het in die boeken altijd een beetje wringen.

In Negen levens, dat net als Innerlijke vaart wel wat wegheeft van een dagboek, gooit hij de trossen eindelijk los. Anker is groot genoeg geworden om terug te kunnen keren naar Oostwoud, het dorp van zijn jeugd, waar hij op zijn manier gelukkig was. En waar zijn ouders ook gelukkig waren. `De wereld was hier, zuiver en ongedeeld. Mijn vader en moeder hebben hun leven met inzet, overtuiging en vanzelfsprekendheid geleefd op dit dorp en niet ook een beetje ergens anders.'

Hoewel zijn `absolute leeftijd' naar eigen zeggen zeventien is, wordt hij in Negen levens niet ouder dan twaalf, want dat is de leeftijd waarop hij, geestelijk althans, het dorp verlaat. Het is overigens geen twaalfjarige jongen die hier aan het woord komt. Hier spreekt Anker zelf, volwassen en wel, gelouterd door vijfentwintig jaar schrijfervaring, maar niet meer gehinderd door `de anderen' met wie hij rekening moet houden en die over zijn schouder meegluren. Hij daalt af in zijn eigen oermaterie, in zijn ziel en weet daarbij moeiteloos de juiste toon te treffen. Ernstig en zuiver, maar ook lichtvoetig en geestig. Liefdevol, maar nergens sentimenteel. Met Negen levens vertelt hij geen doorlopend verhaal en doet hij geen samenhangende memoires uit de doeken. Wat is het dan wel? De ondertitel helpt ons op weg: `Een dorp als zelfportret'. Anker probeert zichzelf terug te vinden in een beschrijving van zijn geboortedorp. Hij presenteert een verzameling indrukken, episoden, opwellingen, gevoelens en herinneringen, waarbij hij in het midden laat of die herinneringen wel helemaal kloppen. Als hij beschrijft hoe het `warme goud-rode' licht op een namiddag in augustus over een melkauto valt, die hij langs ziet komen met gevulde melkbussen, dan besluit hij deze sfeerimpressie als volgt: `en als het niet mogelijk is dat ik mij deze scène met de melkauto kan herinneren omdat hij leeg naar het Veldhuis reed om daar pas met laden te beginnen en dus tegen de zon in naar het westen bewoog dan is dat jammer voor de feiten.'

Foto's

Wat deze met familiefoto's verluchte `notities', zoals hij ze zelf noemt, ook aantrekkelijk maakt is dat er geen rancune in meeklinkt, geen woede over aangedaan onrecht, geen geklaag over van alles en nog wat, al is Anker niet blij met de ruilverkaveling en `de welvaart' die Oostwoud definitief hebben veranderd. Hij vertelt over het dorp zoals hij het als kind meemaakte, toen het nog `heel' was, net als hijzelf. Hij doet dat ogenschijnlijk uit de losse pols, met veel oog voor aandoenlijke en vermakelijke details. Veel aandacht is er voor vader Anker, de bedachtzame, maar ook wat nerveuze timmerman, die mooie dingen kon maken. De ontroerende speelgoedvrachtauto onder andere, die op het omslag staat afgebeeld met op de zijkant in kleine handgeschilderde sierletters: `Transport R. Anker Oostwoud'. Ook de kordate `vrouw Anker', op wie zoon Rob zo lijkt, komt regelmatig in beeld. Ze was dol op `skik en klucht', maar had ook zo haar driftbuien.

Objectief gezien vertelt Anker misschien weinig opzienbarende dingen, over zus Adri, of over Leo Pluister, Maap Buisman, Pie Meurs, Fok Veer, Kuch Koomen en vele anderen die elkaar wel eens ontmoeten in café De Vergulde Vos of op de Hauwerterweg en dan `nôh heu' tegen elkaar zeggen. Maar al die losse feiten, over de eerste douche van de familie Anker, de knetterende onweersbuien van weleer, de weckpotten van moeder, de heidense inslag van het dorp, het `gnappe pa' van oom Henk en de zeven afrijpogingen van vader nadat hij zijn rijbewijs had laten verlopen, laten de lezer, mij althans, helemaal niet onberoerd. Dat heeft natuurlijk te maken met de aanstekelijke manier waarop Anker zijn uiteenlopende dorpsimpressies vorm heeft gegeven.

Tragikomisch is de sneue episode met de beverfokkerij waar vader Anker iets te veel van had verwacht. De huiden brachten niet veel op, in bevervlees had niemand trek en ook ontsnapte er wel eens eentje, ondanks alle voorzorgsmaatregelen. `Ik zie het beest nog zwemmen voor zijn leven: een boeggolfje om de kop, grote ogen, snorharen.' Er zit veel droge humor in Negen levens, geïnspireerd zo lijkt het, door de Oostwoudenaren zelf, die op beslissende momenten nogal melig uit de hoek konden komen. Neem bijvoorbeeld de vader van een drieling die na de geboorte van nummer twee aan de dokter zou hebben voorgesteld om de kamer te verduisteren omdat `ze' blijkbaar op het licht afkwamen.

Oostwoud, zo blijkt uit alles, is een dorp met literaire mogelijkheden, te vergelijken met het Lahringen van Vestdijk, het Scheveningen van Brakman, het Geldrop van Van der Heijden, het Betondorp van Reve en het Maassluis van Maarten 't Hart. Maar Anker blijft bescheiden. `Een mensenleven', zo schrijft hij relativerend, `bestaat uit miljoenen momenten'. In Negen levens bracht hij niet meer dan een fractie van al die momenten bij elkaar, in weerwil van de titel. Je zou van een willekeurige aanpak kunnen spreken, de willekeur van een notitieboek. Maar juist in dit notitieboek is Anker meer dan ooit aanwezig, met heel zijn hart, verstand en ziel.

Robert Anker: Negen levens. Een dorp als zelfportret. Querido, 248 blz. €18,95