`Ik kom niet om veel geld te verdienen'

Curaçao krijgt deze week bezoek van meerdere handelsmissies. Uit Nederland, maar ook uit Libanon. De tijd dat Nederlandse bedrijven de Curaçaose economie beheersten lijkt voorgoed voorbij.

Het is doodstil op het anders zo drukke verkeersplein van Palu Blanku, even buiten Willemstad. Het is negen uur 's ochtends. Politieagenten staan verspreid over de afgesloten wegen, bij de onder een partytent opgestelde stoelen verzamelen zich mannen met Libanese vlaggen. De rotonde van Palu Blanku, volgens de overlevering vernoemd naar een witgeschilderde tamarindeboom die er ooit stond, krijgt binnen het uur een nieuwe naam; rotonde Rafik Hariri.

Het eerbetoon aan de in februari vermoorde oud-president van Libanon, eerder deze week, was een onderdeel van Planet Lebanon 2005; een Libanese handelsconferentie die deze week plaatsvindt op Curaçao. Tegelijkertijd met de Libanezen is ook een Nederlandse handelsdelegatie naar het Antilliaanse eiland afgereisd. Om de zakelijke mogelijkheden te verkennen nemen de Nederlanders, Libanezen en enkele geïnteresseerde Caraïbische zakenmensen deel aan de Curaçao Business Rounds, georganiseerd door de lokale Kamer van Koophandel.

Planet Lebanon, met 400 deelnemers, begon deze week met de aankomst van de zoon van de vermoorde oud-president Hariri in een Boeing 777-200, het grootste vliegtuig dat ooit landde op de Curaçaose luchthaven Hato. Met vijftien ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf steekt de Nederlandse handelsmissie daarbij schril af. Maar de economische interesse vanuit Nederland in `de West' is al langer op haar retour.

Lange tijd golden de Antillen in Nederland als wingewest. Tot in de jaren zestig, toen automatisering bij de toenmalige Shell-raffinaderij leidde tot werkloosheid op Curaçao, werden Nederlandse bedrijven gestimuleerd om zich op het eiland te vestigen. Maar veel van die firma's houden het nu voor gezien. In het kielzog van Shell, dat in 1985 vertrok, verlieten de afgelopen jaren ook ABN Amro, Rabobank en Amstel het eiland.

De leden van de Nederlandse handelsmissie verwachten ook geen gouden bergen op Curaçao. ,,Ik ben hier niet gekomen om veel geld te verdienen'', zegt Theo Singerling van Multi-Post, een leverancier van plastificeringsapparatuur voor identiteitskaarten. In Nederland heeft hij een goedlopend bedrijf, op Curaçao komt hij vooral voor ,,een stukje pleasure''. Singerling doet al negen jaar zaken op het eiland. Hij komt er vijf keer per jaar, want hij heeft iets met Curaçao. Voor ,,de sport'' wil hij Multi-Post ook hier winstgevend maken. ,,Tegelijkertijd schep je hier werkgelegenheid'', zegt Singerling.

De Curaçaose bureaucratie blijft een hindernis voor ondernemers. Dat weet ook Peter Vermeij, plaatsvervangend secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken en leider van de Nederlandse handelsmissie: ,,De red tape hier is een lastige. Daarnaast worden de Antillen in Nederland toch al vaak geassocieerd met moeilijkheden.''

Alex Rosaria, de Antilliaanse minister van Economische Zaken, doet er alles aan om de stroperige bureaucratie te verminderen. Daarnaast wijst de minister op de economische voordelen van het eiland. Met een kleine, open economie, 1,4 procent inflatie, een deviezenvoorraad van 560 miljoen euro en een goederenexport van 266 miljoen euro is Curaçao aantrekkelijker dan de meeste landen in het Caraïbisch Gebied.

De afgelopen jaren is het door Nederlandse bedrijven achtergelaten vacuüm opgevuld door Venezolaanse investeerders en Noord-Amerikaanse bedrijven. Zo kwamen Girobank, de Venezuelan Caribbean University, de Curaçaose TV-zender TV11 en het congrescentrum WTC in Venezolaanse handen, terwijl Noord-Amerikaanse bedrijven zich meldden als strategische partners voor Curaçaose overheids-NV's als het nutsbedrijf Aqualectra, de luchthaven en de lokale posterijen.

Volgens minister Rosaria zouden Nederlandse bedrijven een voorbeeld kunnen nemen aan de buitenlandse interesse in Curaçao. Niet alleen uit de regio, maar nu ook uit Libanon. Want Planet Lebanon mag dan in eerste instantie een bijeenkomst voor de Lebanese International Business Council (LIBC) zijn, organisator Nasser Hakim rekent op een spin-off voor het eiland. ,,Curaçao kan een knooppunt worden voor de Libanese handel in het Caraïbisch Gebied'', aldus de zakenman.

Hakim is een rijzende ster binnen de 3.000 zielen tellende Libanees-Curaçaose gemeenschap. De eerste Libanezen vestigden zich begin twintigste eeuw vaak toevallig op het eiland. Per boot op weg naar Zuid-Amerikaanse bestemmingen gingen ze in de toenmalige Nederlandse kolonie van boord om het gunstige handelsklimaat te beproeven. De door hen opgezette bedrijfjes zijn nu uitgegroeid tot grote bakkerijen en meubelzaken.

Tegenwoordig vormt de Libanese gemeenschap een welvarend, maar haast onzichtbaar deel van de Curaçaose samenleving. Althans, tot de komst van Saád Hariri. In zijn eerste publieke optreden na de moord op zijn vader weet de parlementariër zich omringd door Libanese Curaçaoënaars in met Libanese vlaggen bedrukte T-shirts. Als de bandopname met het Libanese volkslied hapert tijdens de ceremonie bij de rotonde van Palu Blanku zingen zij spontaan de hymne.

Delegatieleider Vermeij is onder de indruk van het enthousiasme. ,,Je ziet hoe Curaçao door het Libanese bedrijfsleven wordt omarmd. Dat is wel een stimulans voor Nederlandse bedrijven. Economische investeringen zijn volgens minister Alexander Pechtold (Koninkrijksrelaties, D66) dé impuls om maatschappelijke problemen op de Antillen het hoofd te bieden.''

Daarbij willen de buurtbewoners van Palu Blanku meer oog voor de lokale bevolking. Ze hebben niets tegen Libanezen, maar vragen zich af waarom hun rotonde wordt vernoemd naar iemand die ze niet kennen. ,,We verkopen onze principes'', zegt een man boos tijdens de plechtigheid bij het verkeersplein. De volgende dag zijn de nieuwe naambordjes van het verkeersplein Rafik Hariri weggehaald of vernield.