Ik hoor er ook bij

Bij het samenstellen van de bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur sinds 1880 in 250 verhalen heeft Joost Zwagerman nauwelijks gebruik gemaakt van verhalen die nog niet in boekvorm verschenen zijn, maar wel in literaire tijdschriften. Dat is op zich voorstelbaar - met zijn 1.600 bladzijden lijdt de bundel niet onder materiaalgebrek - maar heeft ook een nadeel: de jongste verhalenschrijvers van Nederland zijn niet erg prominent vertegenwoordigd. Terwijl er zich dit jaar juist wel een nieuwe generatie lijkt af te tekenen, in de slipstream van Ton Rozeman, die met twee verhalen wél in Zwagermans bundel is vertegenwoordigd. Zo verscheen eerder dit jaar IJsregen van Sanneke van Hassel en is er nu Novembermeisjes, de debuutbundel van Vincent Overeem (1974).

Overeem publiceerde niet eerder in boekvorm, maar wie de literaire tijdschriften een beetje volgt, kon zijn naam kennen - en met enig ongeduld uitzien naar de verschijning van zijn debuut. Want hij heeft veel weg van wat je een klassieke verhalenschrijver zou kunnen noemen. Stilistische precisie, heldere plots met mooie wendingen en een vermogen om dicht op de huid van zijn personages te zitten, zonder te vervallen in overmatige psychologische duiding.

In Novembermeisjes zijn twee verhalen - waaronder het titelverhaal - helemaal nieuw, de andere vier verschenen in De Gids en Tirade. Die vielen op als gave verkenningen van de zielenroerselen van jonge mannen - vooral als die zich geconfronteerd zien met `de andere sekse' en welke verlangens die zoal kan oproepen. Verlangens waarvan de vervulling bijna even beangstigend is als de mogelijke niet-vervulling. Zoals in de eerste alinea van het verhaal `Wasserette' staat: `Dat woord. Maagd. Leonard haatte het, het had zo direct betrekking op hem. Hij sprak het nooit uit, alleen al wanneer het woord door zijn hoofd gonsde draaide zijn maag onmiddellijk om.'

Vrouwen en verlegenheid spelen ook een prominente rol in de verhalen `Knapkruid' (jongen gaat zwemmen met een vriend en diens vlotte moeder) en `Huismeester' (kantoorbediende valt voor de zus van zijn onbetrouwbare onderbuurman). Het grote voordeel van een bundel verhalen als deze is dat veel duidelijker wordt waar het een schrijver werkelijk om te doen is. Zo ook bij Overeem. Want de vrouwenzaken blijken bijzaak te zijn, of preciezer: een verschijningsvorm van datgene waar het werkelijk om draait in Novembermeisjes. Alle hoofdpersonen worden namelijk gedreven door een grote angst om buiten de groep te vallen, om er niet bij te horen. Daar is al iets van te zien in de boven geciteerde begin van `Wasserette', waarin de diepe schaamte van de maagd doorklinkt. Dieper graaft Overeem in het pijnlijke `Nieuwkomers', een weergaloos verhaal over een jongen die de dood van een buurjongen verborgen probeert te houden voor zijn niet geheel schuldeloze broertje.

In `Badgasten' wordt duidelijk hoe veel gevaar de wens one of the guys te zijn met zich mee kan brengen. In een sfeer van toenemende grimmigheid laat Overeem zien hoe veel risico een jongen wil nemen om bij zijn broer en neef in de smaak te vallen. Dan blijkt bovendien hoe gemakkelijk het gevaar van de een op de ander kan overslaan als veertienjarigen elkaar lafbek gaan noemen. Het loopt echter met een sisser af, zoals de meeste verhalen in de bundel. Je zou ze kunnen karakteriseren als fraai, maar een beetje braaf - althans tot je bij het titelverhaal aankomt.

`Novembermeisjes' is het langste en laatste verhaal in de bundel. Ook daarin treffen we een verlegen jongeman (maagd, trouwens) met verlangens die veel verder reiken dan zijn betrekking in een bibliotheek. Zijn behoefte aan iets groots en meeslepends leidt hem naar een groep mannen die in een psychiatrische inrichting werken en daar 's nachts mannen de gelegenheid geven zich uit te leven op gedrogeerde patiëntes. Daarbij is het opmerkelijke niet dat hij aan de periferie van de perverse bende blijft hangen, maar vooral dat hij - eenmaal gearresteerd - het niet kan verkroppen dat zijn verhoorders hem vooral als getuige zien. `Het liefst hadden ze me al tien keer in m'n bek gespuugd, me bij m'n zak gegrepen, me aan m'n haren over het bureau getrokken. Mij hoeven ze niets te vertellen. En ik wou dat ze het deden, want een man als ik heeft recht op een beetje theater.' Hij probeert niet aan zijn lot te ontsnappen, maar juist de erkenning te krijgen dat hij bij de bende hoorde, dat hij een misdadiger is. Alles wil hij wezen, maar níet onschuldig.

Zo laat `Novembermeisjes' zien wat de gevolgen kunnen zijn van de gefrustreerde verlangens die alle mannelijke personages in de bundel voortdrijven - met alle gevaren van dien. De subtiele manier waarop Overeem deze goedhartige jongens (volwassen kun je ze geen van allen noemen) zichzelf in de nesten laat werken maakt niet alleen dat je verlangt naar méér van deze verhalen, maar ook naar het steeds weer lezen van de zes die er al zijn.

Vincent Overeem: Novembermeisjes. Verhalen. De Bezige Bij, 208 blz. €15,-