Het Grote Gelijk delgt alle schuld

Democratie is een fragiele regeringsvorm, die in moeilijke omstandigheden graag het stokje overgeeft aan de vaderlijke alleenheerser en uitmester van de politieke Augiasstal. In zijn zojuist vertaalde roman De stad der zienden beschrijft de José Saramago een andere opstand der burgers. In de hoofdstad van een ongenoemd land wordt bij de verkiezingen massaal blanco gestemd. Paniek slaat toe in de regering, die zich geconfronteerd ziet met een verwerping van het hele systeem. Zij vlucht en laat en de stad hermetisch afgrendelen. Een snelle `overgave' wordt verwacht, waarna het oude bestel als een reddende engel kan terugkeren.

Niets van dat alles gebeurt. De stad leeft vreedzaam voort en het kabinet besluit tot drastischer stappen tegen de stad die enkele jaren eerder getroffen was door een collectieve blindheid. De `witte mist' van toen is de scherpzinnigheid van nu geworden, zo laat Saramago een van zijn personages denken. De witheid heeft de gestalte aangenomen van een lucide, blanco stem.

Op dat punt grijpt Saramago terug op zijn tien jaar geleden verschenen roman De stad der blinden. Daarin liet hij een deprimerend beeld zien van een mensheid die vervalt in wreedheid, zodra de maatschappelijke orde verdwijnt. In die oertoestand van geweld liet hij een groepje getroffenen overleven onder leiding van een vrouw die als door een wonder haar gezichtsvermogen had bewaard. Diezelfde vrouw wordt nu om haar toenmalige luciditeit door de regering tot zondebok gemaakt van de blanco stemmende stad en een drietal politiemannen moet haar opsporen en de onrust aanwakkeren. In plaats daarvan raakt de commissaris die haar moet verhoren niet alleen van haar onschuld maar ook van het gelijk van het `blanco'-kamp overtuigd. Het loopt met beiden even treurig af als De stad der blinden optimistisch eindigde.

Beide boeken worden in weerwil van hun verhalende karakter door Saramago als `essays' aangeduid. Meer nog dan de andere romans van Saramago hebben zij het realisme achter zich gelaten om in de vorm van een allegorie harde noten te kraken over de verwordenheid van ons tijdsgewircht. Nuances wil Saramago zich daarbij niet meer veroorloven. Zijn boodschap is dringend en bij de verschijning van De stad der zienden stelde hij een schandaal in het vooruitzicht dat zijn weerga niet zou kennen. Dat schandaal is uitgebleven - en daarmee mag men de Portugese lezers van harte feliciteren.

Want terwijl Saramago in De stad der blinden nog de verdediger was van een alledaagse fatsoenlijkheid die gevoed wordt door mededogen, laat hij zich nu kennen als een apocalyptische profeet die alleen nog gelooft in een totale revolte. Van de politiek kan men zich alleen maar rigoureus afkeren. Partijen en bestuurders zijn niet alleen verloederd en corrupt, maar blijken bovendien - wanneer de stadsbevolking de daad bij het woord voegt - volkomen overbodig.

In een gelukkig anarchisme draait het leven rustig door, in sprookjesachtige deugdzaamheid die van de prins geen kwaad weet. Zelfs de kleine minderheid die wél haar stem heeft uitgebracht (en dus heult met de regering) wordt door de `blanco's' geen haar gekrenkt. Als één man draaien zij zich nog eens om, wanneer deze minderheid voor dag en dauw wegtrekt uit de stad, als `slachtoffers' - zo schrijft Saramago - die zelf delen in `de verantwoordelijkheid voor het onheil dat over hen komt.'

Van die laatste woorden valt nauwelijks te geloven dat zij uit dezelfde pen gekomen zijn waaruit ooit het wijze humanisme van De stad der blinden vloeide. Niet alleen toont Saramago een ontstellende ongevoeligheid voor de talloze keren waarop dergelijke scènes werkelijkheid geworden zijn. Hij blijkt erin ten offer te zijn gevallen aan een radicalisme dat bereid is alles rücksichtslos op te offeren ter wille van de eindoverwinning van het Grote Gelijk, dat elke schuld delgt.

Het zou gemakkelijk zijn daarbij naar Saramago's communistische verleden te wijzen - en inderdaad meent hij nog altijd te kunnen schrijven uit naam van een puriteins-linkse waarheid. Maar zoals onlangs de Burke Stichting liet zien, leven dit soort Verelendungs-theorieën ook aan de andere zijde van het politieke spectrum. De grote Kladderadatsch van de `oude politiek' en het geloof in de deugdzaamheid van het eenmaal bevrijde volk zijn minder specifiek voor links of rechts dan voor de extremen waarin deze twee elkaar raken.

Politiek toont Saramago met dit boek aan het spoor grondig bijster te zijn geraakt. Moreel verloochent hij er de humaniteit mee op grond waarvan hij ooit de Nobelprijs kreeg. En literair graaft hij zijn graf door de nuance van roman met haar veelkleurige personages in te ruilen voor een giftig sprookje waarin alleen nog karikaturen optreden die, als in een middeleeuwse moraliteit, de naamloze incarnaties van deugden of ondeugden zijn.

Meent Saramago werkelijk wat hij zegt, wanneer hij in dit boek het moeizame compromis-model van de altijd onvolmaakte democratie wil inruilen voor de belofte van een revolutionair en vlekkeloos geluk? Gelooft hij werkelijk in de spontane deugzaamheid van een ontvoogde massa, na in De stad der blinden zo overtuigend het tegendeel te hebben beschreven?

Bij de presentatie van alweer een nieuwe roman (`De opschorting van de dood') beklaagde Saramago zich twee weken geleden bitter over de apathie van het kiezersvolk en pleitte hij voor een `strategisch stemgedrag', alsof zijn eigen antipolitieke allegorie er inmiddels in het geheel niet meer toe deed. Wellicht is dat het verstandigste: de politieke prudentie altijd laten prevaleren boven het zoeken naar uitersten - en De stad der zienden gevoeglijk vergeten.

José Saramago: De stad der zienden. Uit het Portugees vertaald door Maartje de Kort. Meulenhoff, 319 blz. €18,50