Geen groter scheldwoord dan calvinist

Het predikaat `calvinistisch' verwijst primair naar een stroming in het protestantisme, maar duidt tegenwoordig vaker op een bepaalde mentaliteit. De Kamper theoloog Rinse Reeling Brouwer omschrijft het calvinisme als een mentaliteit die `wordt gekenmerkt door ernst, soberheid en verantwoordelijkheidsbesef of, meer negatief geformuleerd, door fantasieloosheid, moralisme en hypocrisie'. De verschijning van een Nederlandse vertaling van de tien jaar oude Calvijn-biografie van de Franse historicus Bernard Cottret biedt vele aanknopingpunten om zowel de positieve als de negatieve connotaties die de term calvinisme oproept te herijken aan de ontstaansgeschiedenis van deze beweging, en meer in het bijzonder aan het werk en de persoon van haar naamgever.

De term `calvinist' is, volgens Cottret, in 1552 gemunt door Joachim Westphal, luthers predikant te Hamburg tot ongenoegen van Calvijn zelf, die de hatelijke bedoeling ervan inzag: `Zij kunnen geen grotere belediging vinden dan ons [...] de term calvinisme op te plakken', schreef hij in zijn commentaar op het oudtestamentische bijbelboek Jeremia. De hervormer wenste niet in een hokje geduwd te worden. Vorig jaar werd overigens bekend dat Calvijn de term zelf al hanteerde in januari 1538, toen hij als 26-jarige zijn latere leermeester Bucer de les las.

Cottret begint zijn biografie met een brede schildering van de tijd en de cultuur waarin Calvijn leefde. Hij geeft een beschrijving van de politieke situatie in Frankrijk en de internationale krachtsverhoudingen die bepalend zijn geweest voor de Franse opstelling tegenover het protestantisme. Daarnaast geeft hij een uitvoerige, voor de historisch niet-ingewijden wat breedsprakige, tekening van het denkklimaat in Frankrijk, de opkomst van het Franse humanisme en de katholieke evangelische beweging.

Johannes Calvijn, geboren in 1509, was als kind voorbestemd om priester te worden, maar mede door de ruzie van zijn vader met het kerkbestuur te Noyon werd het uiteindelijk rechten. In 1532 verscheen zijn eerste boek over De Clementia van de Romeinse wijsgeer Seneca. Dit boek staat nog geheel in de traditie van het Erasmiaans moralisme en toont zijn liefde voor helder taalgebruik. Hij hoopte er als aankomend intellectueel zijn intrede mee te kunnen doen in de Franse wetenschappelijke en literaire wereld.

Calvijns `bekering' - zelf sprak hij van een roeping - dateert van eind 1532 of begin 1533. `God deed mij uiteindelijk de teugel naar een andere kant wenden', schreef hij. Mede onder invloed van reformistische katholieken in zijn omgeving, begon Calvijn een groeiende afkeer te krijgen van de mis. In de Franse Reformatie bracht vooral de brief aan de Hebreeën het denken over geloofszaken op een ander spoor. De schrijver van deze brief wijst erop dat het offer van Christus aan het kruis voor de zonden van de mensen eenmalig was. De katholieke traditie stelde echter (en stelt officieel nog steeds) dat dit offer in de mis dagelijks herhaald wordt: in brood en wijn is Christus fysiek aanwezig. Calvijn vond die reële aanwezigheid van Christus onzin. Dat leek een eerste `onttovering' van het christelijke geloof, een stap in de richting van het rationalisme, en paste daarmee in de ontmanteling van het middeleeuws bewustzijn, waarvan Calvijn in andere opzichten wel een echt kind bleef. De aarde bleef voor hem, ondanks Copernicus, gewoon plat.

Botsingen tussen katholieken en protestanten leidden ertoe dat Calvijn de wijk moest nemen. Via Bazel kwam hij in de zomer van 1536 in Genève terecht, waar hij `gereformeerd' predikant werd. Genève lag in die tijd op een kruispunt van machten en invloedssferen en was daar ook speelbal van. De stad was een belangrijk economisch centrum en tevens een toevluchtsoord voor vreemdelingen, waardoor haar inwonertal vanaf 1540 met vijf procent per jaar groeide. Die factoren hadden hun weerslag op de interne verhoudingen. Machtsstrijd, competentiekwesties met het stadsbestuur en afkeer jegens Fransen leidden ertoe dat Calvijn in 1538 als ongewenst vreemdeling de stad werd uitgezet, om er eerst drie jaar later op uitdrukkelijk verzoek terug te keren. Hij zou er blijven wonen tot zijn dood in 1564.

Het middendeel van de biografie is goeddeels gewijd aan Calvijns werk in Genève. Het bestuurlijk systeem van de stad is wel afgeschilderd als een theocratie - ten onrechte aldus Cottret: Calvijn was geen reformatorische ayatollah, maar moest de positie van de kerk juist bevechten tegen inbreuken door de overheid. Hij verzette zich fel tegen annexatie van de kerk door de staat. Overigens staat buiten kijf dat de Geneefse kerk nadrukkelijk werkte aan een moralisering van het maatschappelijk leven; ze streed tegen bedelarij, zorgde voor de armen en waakte over het fatsoen. Vrouwen dienden hun plaats te weten. De overtuigingen van de SGP verbleken bij die van Calvijn.

Uitvoerig doet Cottret verslag van de strijd tegen ketterijen, waarbij uiteraard wordt stilgestaan bij de executie van Michael Servet. Diens verzet tegen kinderdoop en de leerstelling van de goddelijke drie-eenheid en zijn pleidooien voor een algemene, brede religie waarin joden, moslims en christenen zich thuis zouden kunnen voelen, hadden hem al in conflict gebracht met het katholicisme. Eenmaal ontvlucht naar Genève, wist Servet door zijn arrogante optreden ook Calvijn het bloed onder de nagels vandaan te halen. De hervormer werkte mee aan zijn veroordeling tot de brandstapel in 1553. Daarmee maakte hij tegenover Rome duidelijk dat hij, als ware christen, even streng was tegen ketters als de katholieke kerk. Calvijn keerde zich met grote felheid tegen de doperse radicalen die elk overheidsgezag verwierpen. Zoetsappig was Calvijn bepaald niet. Hij betoonde zich een scherpzinnig polemist, die ook hardgrondig kon schelden, bijvoorbeeld tegen de `beesten van de Sorbonne', die hij varkens noemde.

In het laatste deel focust Cottret op de persoon van Calvijn als predikant en polemist en op zijn publicaties, waarvan de regelmatig herschreven Institutie of Onderwijzing in de christelijke godsdienst de belangrijkste is. Interessant is het hoofdstuk over Calvijns betekenis voor de ontwikkeling van de Franse taal. Van alle schrijvers uit de zestiende eeuw, van Rabelais tot Montaigne, is Calvijn vandaag nog het makkelijkst te lezen, constateert de auteur: `alles staat op zijn plaats, ook wanneer gedachten worden geuit die toch wel heel ingewikkeld lijken; zijn zinnen houden iets onmiddellijks, een gevoel voor het concrete dat ze op een bepaalde manier bijzonder toegankelijk maakt.'

Wie de lange aanloop van Cottret voor lief neemt, krijgt met deze biografie een helder inzicht in persoon, werk en betekenis van Calvijn, en van het tijdsgewricht waarin hij leefde. Maar het is geen boek voor op het nachtkastje, mede door de vertaling, die weliswaar grondtaalgetrouw lijkt, maar niet op alle plaatsen even doeltaalgericht is - om de terminologie van de moderne bijbelvertalers te gebruiken.

Bernard Cottret: Calvijn. Biografie, Kok Kampen, 425 blz. €39,90