Berichten uit de bunker

In het voorjaar van 1856 schreef Gustave Flaubert aan zijn vriend Louis Bonenfant: `Stijl is wat ik boven alles en in de eerste plaats waardeer, pas daarna de graad van werkelijkheid.' Flaubert had zijn hart op kunnen halen aan de Franse literaire prijzen die dit najaar zijn vergeven. Een mooiere staalkaart van stijlen zoals die tegenwoordig in de Franse letteren worden beoefend, is nauwelijks denkbaar.

Michel Houellebecq, die juist wordt bejubeld vanwege zijn raak weergegeven werkelijkheid, maar wiens werk tegelijkertijd vaak als stijl-loos wordt weggezet, werd door de jury's van de grootste literaire prijzen gepasseerd en kreeg als troostprijs alleen de Prix Interallié. François Weyergans, de winnaar van de Prix Goncourt, heeft in zijn roman Trois jours chez ma mère grote moeite iets zinnigs op papier te krijgen, maar geeft zijn woelige, obsessieve gedachten wel een mooie harmonieuze stijl mee. Stijl en obsessie zijn ook bij Nina Bouraoui sleutelwoorden. Pijn, verscheurdheid, eenzaamheid - heel Bouraoui's gekwelde wezen wordt weerspiegeld in haar dichtbedrukte bekentenisroman, waarin niet één witregel, één adempauze te vinden is. De dertiende roman van Régis Jauffret is een satire op de familie, hilarisch en vol overdrijving, waarin de auteur tegelijkertijd speelt met de rol en functie van de verteller. Jean-Philippe Toussaint, net als Weyergans een Belg, excelleert opnieuw in zijn precieze, uitgebalanceerde schrijfstijl, waarin hij zijn magnifieke zoektocht naar de betekenis van tijd en plaats voortzet.

Hoe verschillend hun stijlen ook mogen zijn, drie van de vier laureaten blijven dicht bij huis. Dat huis oogt niet bijzonder aangenaam, integendeel. Vaak komt de lezer terecht in een dichtgetimmerde, geluidswerende bunker, afgesloten van ieder sprankje buitenwereld. Zo koos de Frans-Algerijnse Nina Bouraoui, wier eerdere werk vaak gruwelijk en gewelddadig was, in haar nieuwe roman (bij haar nieuwe uitgever) voor de methode van collega Christine Angot. Net als zij sluit Bouraoui's alter ego zich op in zichzelf en probeert, op advies van haar psychiater, zicht te krijgen op haar gefragmenteerde ik: Algerijns of Frans, heteroseksueel of lesbisch, het maatje van haar vader of de knuffel van haar moeder, zichzelf of een dubbelganger?

Draaikolk

`Slechte gedachten' achtervolgen haar sinds zij op haar veertiende met haar familie van Algerije naar Frankrijk verhuisde. Voor het verwoorden van haar ontheemding en haar ontworteling neemt ze haar toevlucht tot een veelstemmige draaikolk van monologen, dialogen, brieven en ontboezemingen van allerlei aard. Nog steeds draaien die voornamelijk om dood, angst en geweld. Een `biecht' noemt de auteur het zelf. `Therapeutisch schrijven', een term die ook valt in het boek, is voor de lezer een adequatere omschrijving. `Men moet afbreken voor men kan opbouwen' luidt Bouraoui's laatste zin, verwijzend naar haar pogingen de muren van haar bunker neer te halen. Helaas is de lezer tegen die tijd al flink claustrofobisch geworden.

Dezelfde leeservaring - zij het minder extreem - staat degene te wachten die Trois jours chez ma mère ter hand neemt. Weyergans leidt zijn lezer misschien niet rond in een bunker, maar dan toch in een goed geïsoleerde woning waarin een schrijver kampt met adoratie voor zijn moeder en met een writer's block. Zoveel projecten op de plank (een boek over vulkanen, over avontuurtjes, over zijn moeder, het circus, Jeroen Bosch...), zoveel contracten getekend en de pen maar niet op het papier kunnen krijgen - een worsteling die de auteur zelf maar al te goed kent.

En dus schreef Weyergans het verhaal van die worsteling, compleet met de alter ego's die hij onderweg verzon: François Weyergraf, François Weyerstein en François Graffenberg. Het zijn evenzovele incarnaties van een Woody Allen-achtige figuur, een charmante, intelligente maar onhandige rokkenjager, een moederskindje met een flink chaotische inborst, bereid aan alles wat hij meemaakt een semi-diepgaande reflectie te wijden: over Hitchcock, over een Griekse godin, over Florence, over de deurwaarder, whisky of een treinreis - maar vooral over zijn moeder, bron van leven en bron van schuldgevoel. Nu eens is zijn hommage liefdevol en aandoenlijk, dan weer struikelt de lezer over al te veel geneuzel in een literair doolhof dat bij tijd en wijle uit te veel zelfgenoegzaamheid bestaat.

Zoveel zijpaden heeft Régis Jauffret in zijn elfde roman niet nodig om te illustreren dat een familie flinke gelijkenis vertoont met een krankzinnigengesticht. De roman opent met een onvergetelijke scène waarin een vrouw haar schoonvader ontvangt om een lekkende kraan te vervangen. Naarmate de conversatie vordert blijkt dat hij in wezen is gekomen om namens zijn zoon de relatie met diens vriendin te verbreken. Als de kraan is vervangen, vraagt hij haar assistentie om alle bezittingen van zijn zoon in het klaarstaande busje te laden. Jauffret geeft het woord beurtelings aan vier personages, die zonder uitzondering in korte beweringen hun hilarische monoloog houden - een procédé, een thema en een toon waarop tot nu toe Lydie Salvayre het patent had.

Door China

Alleen in de meesterlijke, met de Prix Médicis bekroonde, roman van Jean-Philippe Toussaint gaan de ramen wijd open en verdrijft een frisse wind iedere bedomptheid. Bij Toussaint geen dichtgetimmerde psyche, geen reflecties die schijnbaar naar alle kanten uitwaaieren en geen woord of letter te veel. Fuir vormt samen met Toussaints vorige roman, Faire l'amour, een intrigerend tweeluik over reizen en de ervaring van tijd en plaats. Zwierf de verteller in Faire l'amour door Japan, nu beweegt hij zich door China. Weer is het doel van zijn reis onduidelijk, weer zijn zijn ontmoetingen ondoorgrondelijk of ambigu en weer zijn er mysterieuze objecten en onverwachte wendingen waar de lezer zich het hoofd over breekt. De wereld en de mens zijn vreemd en onbegrijpelijk, maar deze auteur doet - wat een verademing - geen poging hen te analyseren, op de divan te leggen, tot op het bot te ontleden of uit te leggen. Toussaints zinnen zijn precies, beschrijvend tot in de details, maar zakelijk van toon en wars van sentiment. Het gaat om de weg die wordt afgelegd, de route die gelopen wordt: geometrie gaat voor psychologie.

Toussaints romans becommentariëren de wereld op een indirecte manier, zoals gebruikelijk is in het land waar Toussaint de status heeft van een popster: Japan. Zijn hoofdpersonen zijn geen helden in de gebruikelijke zin des woords. Ze laten zich een beetje meedobberen, nemen nooit de plaats in van de roerganger en raken niet zelden in hilarische, slapstickachtige situaties verzeild. Onbeholpen zijn ze, chaotisch, ze stuntelen, struikelen of raken dingen kwijt. Maar bij Toussaint geen redderende zussen, geen geadoreerde moeder, geen betutteling. Hier wordt in de eenzaamheid van gedachten een vorm van geluk geschapen, hier zijn momenten waarop de tijd stil staat, waarop even een vorm van harmonie wordt bereikt - of dat nu midden in de heksenketel van Tokyo is of in een verlaten baai op Elba.

In deze roman is er een geheimzinnige vrouw die de verteller naar Peking volgt, een mobiele telefoon die hij associeert met dood en seks, een gids die hem een volstrekt oninteressante wijk van Peking laat zien, een zakje ongedefinieerd, wit poeder, een bowlingbaan en een dodenrit achterop een zojuist aangeschafte motor. Ook het onverwachte overlijden van zijn schoonvader en zijn vertrek naar Elba zijn schakels in het verhaal die bijdragen aan de toch al troebele, wat dreigende sfeer. Net als in sommige thrillerachtige romans van de meester van de Nouveau Roman, Alain Robbe-Grillet, blijft het onduidelijk hoeveel tijd er precies verstrijkt (drie dagen?), hoe de onderlinge verhoudingen tussen de personages zijn en wat het doel is van de reizen. Deze roman blijft de lezer bezig houden nog lang nadat hij de laatste bladzijde heeft gelezen. Jean-Philippe Toussaint schreef de beste roman van deze rentrée.

François Weyergans: Trois jours chez ma mère. Grasset, 263 blz. €17,50

Régis Jauffret: Asiles de fous. Gallimard, 213 blz. €16,50

Nina Bouraoui: Mes mauvaises pensées. Stock, 286 blz. €18,-

Jean-Philippe Toussaint: Fuir. Minuit, 192 blz. €13,-