Baanbrekend museumdirecteur

Vorige week zaterdag is, naar nu pas bekend is geworden, oud-directeur van het Stedelijk Museum Edy de Wilde overleden. Hij was een regent van de oude stempel: een rustige, gedistantieerde man, met veel invloed in de kunstwereld, zowel nationaal als internationaal, en met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Sinds zijn pensioen in 1984 was hij actief in tal van besturen en adviescommissies, onder meer bij de Arco Foundation en het Reina Sofia Museum in Madrid, het MoMA in New York, het museum van moderne kunst in Nîmes en Museum De Pont in Tilburg.

Met democratisering had De Wilde weinig op. Hij geloofde niet in `groepsverantwoordelijkheid', zoals hij zei in een interview, want kunst is nu eenmaal een `subjectieve aangelegenheid'. Collectievorming beschouwde hij als een persoonlijke zaak. Het leverde hem een reputatie op als privéverzamelaar in overheidsdienst.

Eduard Leo Louis de Wilde werd in 1919 geboren in Nijmegen. Na een rechtenstudie (hij bracht aan het begin van de oorlog enkele maanden in Duits krijgsgevangenschap door) werkte hij in 1945/46 voor de Stichting Nederlands Kunstbezit aan de inventarisatie van de in bunkers opgeslagen kunst. In 1946 werd De Wilde op 26-jarige leeftijd directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Het Van Abbe, dat toen alleen een portier en een timmerman in dienst had, groeide tijdens het zestienjarige beleid van De Wilde uit tot toonaangevend museum van 20ste-eeuwse kunst. Zijn eerste belangrijke aankoop was Mondriaans Compositie in zwart wit (1930) voor 6.700 gulden. Daarop volgde de kubistische Hommage à Apollinaire (1912) van Chagall. Deze werken werden de ijkpunten voor een collectie 20ste-eeuwse schilderkunst, waarbij het accent lag op expressionisten als Kandinsky, Beckmann en Kokoschka, en de bij De Wilde zeer geliefde École de Paris met schilders als Bazaine, Bissière en Dubuffet.

In 1963 volgde De Wilde Willem Sandberg op als directeur van het Stedelijk in Amsterdam. Wat Parijs was in de Van Abbe-periode werd nu New York. Het Stedelijk onder De Wilde is de geschiedenis ingegaan als het museum van grote Amerikaanse schilders als Willem de Kooning, Barnett Newman en Ellsworth Kelly. In 1964 organiseerde hij een baanbrekende tentoonstelling van Pop Art, waarna een reeks solotentoonstellingen volgden van Pop Art-kunstenaars als Roy Lichtenstein en Andy Warhol. Een hoogtepunt was ook de grote Picasso-tentoonstelling in 1967, die bijna 189.000 bezoekers trok, een record dat gebroken werd met De Wildes afscheidstentoonstelling La Grande Parade.

Bij zijn aantreden zei De Wilde dat hij zich zou richten op kunst niet ouder dan twintig jaar. Daar heeft hij zich niet aan gehouden: De Wilde verzamelde voornamelijk schilderkunst en liet eigentijdse stromingen als arte povera, minimal art, conceptuele kunst en performance links liggen - kunst die, zoals hij bij zijn afscheid zei, ,,vrijwel buiten mijn subjectieve gevoeligheid ligt''. Het verwijt dat hij zijn conservatoren hiertoe niet de ruimte gaf, is terecht.

Ook al had hij blinde vlekken, De Wilde heeft kunst van zeer hoog niveau verzameld. Hij kocht bij voorkeur aan van kunstenaars die hij persoonlijk kende, en verwierf van hen samenhangende groepen werken. Het was volgens hem de taak van het museum om loyaal te zijn aan kunstenaars. Atelierbezoek was voor hem van levensbelang. Tot op het laatst: nog enkele weken geleden was hij op pad in Amsterdam. Aan deze grote liefde voor de kunst en haar makers heeft het Stedelijk een verzameling van 20ste-eeuwse meesterwerken te danken.