Economisch succes zorgt niet automatisch voor integratie

In zijn intreerede van 18 november stelde Jan Latten, bijzonder hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam, dat de kloof tussen de sociaal-economische onderklasse, hoofdzakelijk bestaand uit etnische minderheden, en een `witte bovenklasse' zich bestendigt. Sociale klassen trekken zich, via partnerkeuze, op hun eigen gebieden terug.

Dat is een juiste waarneming, die echter miskent dat andere economische krachten eveneens tot gescheiden gemeenschappen kunnen leiden. Daarbij gaat het niet om een neerwaartse, maar om een economisch opwaartse ontwikkeling. In een aantal `minderhedengebieden' is namelijk een geheel nieuwe middenstand met daarboven zelfs een hogere beroepsgroep ontstaan.

Voor het contact met de Nederlandse meerderheidscultuur kan dit gelijksoortige gevolgen hebben als de gevreesde verarming, maar om een andere reden. Met toegenomen welvaart en onderlinge voorzieningen kan men als minderheid namelijk ook een redelijk bestaan opbouwen zonder al te veel met de meerderheid van de ongezellige Nederlanders te hoeven omgaan.

Wie de afgelopen 15 jaar geregeld de Haagse `minderhedenwijken', de Schilderswijk en de Transvaalwijk, bezocht, kon waarnemen hoe zich stap voor stap een middenstand heeft ontwikkeld die zich geheel richt op de eigen bevolking van de wijk. De eerst nog kleine en groezelige zaakjes van de jaren '80 groeiden geleidelijk uit tot goed ingerichte, moderne, middelgrote en soms grote supermarkten. Daarnaast zijn er tal van andere bedrijven gekomen en aansluitend de dienstverlenende hogere beroepen, zoals makelaars, advocaten en artsen. Aangezien de gemeente Den Haag gestaag aan de opbouw van de wijken gewerkt heeft, ziet het geheel er niet uit als een economisch achterstandsgebied, maar eerder als een eigenstandige economie binnen een omringende meerderheidseconomie. Dit is het goede bericht.

Het minder goede bericht is dat dit allerminst hoeft bij te dragen aan een versmelting van etnische minderheden met de omringende meerderheidscultuur. In toenemende mate kan men voor tal van behoeften binnen de eigen wijk blijven. Uiteraard niet voor alles, maar in toenemende mate kan men terecht bij de eigen Turkse of Marokkaanse makelaar, arts, advocaat of belastingadviseur. De wijk biedt ook – vaak informele – werkgelegenheid, scholen en uitgaansgelegenheden. Uiteraard betekent dit dat binnen die minderhedeneconomie weer sociale gelaagdheden ontstaan met een eigen onderklasse, zoals wij vroeger, in diezelfde buurt, de laag opgeleide arbeidersklasse hadden.

Een nog minder goed bericht is dat de witte bovenklasse aan deze ontwikkeling nauwelijks aandacht heeft besteed, waardoor we er eigenlijk heel weinig van weten. Dit leidt tot onzekerheid ten aanzien van sociaal-economisch beleid alsmede tot druk op de rechtshandhaving door de schaduwrijke kanten van deze economie.

De geslaagde etnische middenstander heeft zijn succes niet aan het stelsel van regels van de witte bovenklasse te danken, maar aan eigen (informele) arbeid. Daarnaast moet er ook kapitaal zijn opgebouwd en geïnvesteerd. Gelet op de karige bancaire voorzieningen in die wijken, is het niet aannemelijk dat deze investeringen uit ruimhartige bankkredieten hebben bestaan. Men moet eerder denken aan het informele geldverkeer binnen de uitgebreide families, wat in termen van de witte bovenklasse `ondergrond-bankieren' heet. De Turkse of Marokkaanse ondernemer heeft aan dit soort begrippen en regels begrijpelijkerwijs geen boodschap.

Door het gebrek aan belangstelling bestaat er weinig inzicht in hoe dit alles is ontstaan, hoe de onderlinge sociaal-economische en financiële verhoudingen zijn, wie wat bezit en dergelijke. Er is wel veel aandacht besteed aan ontspoorde Marokkaantjes, hoofddoekjes en moslimfundamentalisten, maar niet aan de samenloop van groeiend economisch succes in eigen etnische kring en de sterker wordende identificatie door godsdienst en cultuur. Wrok wegens niet-erkenning voegt daar nog een gevoelsondertoon aan toe, wat eveneens een rol kan spelen in het beleven van de eigenheid. In zo'n deels naar binnen gekeerde sociale economie wordt de handhaving van de (economische) regelgeving niet eenvoudiger. Dit betreft de meest uiteenlopende gebieden, van gemeentelijke regels tot het belastingrecht en het (economisch) strafrecht. Door middel van een handhavingsproject en wetenschappelijk onderzoek naar de sociaal-economische betekenis van `ondergrond-financiering' poogt de gemeente Den Haag dit gebied door te lichten, een terechte inhaalslag. Maar het blijft een inhaalslag en bovendien van plaatselijke aard. Elders ontwaar ik weinig stelselmatige belangstelling voor de belangrijke betekenis van de minderheden-economie. `Normen en waarden' is een mooi verhaal, maar erst kommt das Fressen und dann die Moral. Een op zichzelf staande economisch groeiende minderheid zoekt haar eigen moraal. Daar veranderen wij weinig aan.

Petrus C. van Duyne is hoogleraar empirisch strafrecht aan de Universiteit van Tilburg.