Besmettelijk wantrouwen

Als ook de centrale bank zich zorgen begint te maken over het vertrouwen van de Nederlandse samenleving, wordt het zaak goed op te letten. De financiële wereld staat of valt met vertrouwen, al was het maar omdat geld in wezen weinig anders is dan een belofte waarin iedereen moet geloven. Maar De Nederlandsche Bank blijkt zich nu ook in bredere zin druk te maken over het sterk gedaalde peil van het maatschappelijk vertrouwen. Uit onderzoek van de Bank, eergisteren op een symposium gepresenteerd, blijkt dat het vertrouwen in Nederland verscheidene gezichten heeft. Het vertrouwen in het parlement is dramatisch gedaald, dat in de euro en de Europese Unie is zeer laag, en vertrouwen op de sociale zekerheid doen mensen steeds minder. Vijf jaar geleden zei 60 procent van de burgers nog veel of tamelijk veel vertrouwen te hebben in de sociale zekerheid. Dat is nu nog maar 25 procent.

Het vertrouwen in de financiële sector is onverminderd hoog, en dat geldt ook voor De Nederlandsche Bank zelf. Opmerkelijk, want zij is de nationale hoedster van de euro, waarin juist weinig vertrouwen bestaat. Kennelijk is het de associatie van de euro met de – Europese – politiek die de munt verdacht maakt. Professionele, apolitieke organisaties en bedrijven krijgen meer vertrouwen dan `Den Haag'. Dat is ook te zien aan de politie. Het vertrouwen daarin is groot en steeg de afgelopen vijf jaar zelfs.

Is Nederland op weg een low trust-samenleving te worden, om met Francis Fukuyama te spreken? Dat niet, of in ieder geval: nog niet. Minstens even opmerkelijk is dat het vertrouwen in de medemens hoog is en zelfs is toegenomen sinds begin jaren tachtig. Enkel Zweden en Denemarken kennen binnen Europa een hoger interpersoonlijk vertrouwen. Een derde opvallend punt is dat uit peilingen van het consumentenvertrouwen de eigen financiële situatie structureel beter wordt ingeschat dan het economische klimaat. Om het Sociaal en Cultureel Planbureau te citeren: ,,Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.''

Kennelijk is het zelfvertrouwen van de Nederlander groot, maar groeit de argwaan tegen instituties die hij niet in de hand heeft of waarvan het gedrag minder goed voorspelbaar is geworden. Een laag vertrouwen is slecht voor maatschappij en economie. Het verhoogt de zogenoemde transactiekosten, bijvoorbeeld als de handdruk plaats moet maken voor het contract. Een laag vertrouwen leidt ook tot terughoudende bestedingen. Mensen die weinig vertrouwen hebben in de maatschappelijke instituties, wantrouwen ook de economie.

Dat wantrouwen draagt, in de woorden van bankpresident Wellink, het gevaar van besmetting in zich. Of de recente zelfkastijding die de Haagse politiek in haar greep heeft dat voorkomt, is de vraag. Beter zou het zijn als het politieke bedrijf zelf meer gelooft in eigen kunnen, consistenter wordt en scherper de grens trekt bij de zaken die het wel of niet kan leveren. Of zoals de aanbeveling van Wellink aan `Den Haag' luidt: ,,Wees degelijk, voorspelbaar, betrouwbaar en het liefst een beetje suf.''

De tijd is rijp voor saaie politici.