Gevolgen Guantánamo

De Amerikaanse marinebasis Guantánamo Bay op Cuba is de schandvlek van president George W. Bush. De misstanden met Al-Qaedaverdachten die hier gevangen zitten zijn berucht. Over Amerikaanse martelpraktijken, die geen geheim zijn maar wel blijven schokken, werd gisteren verslag gedaan in deze krant. Mensenrechtenorganisaties, het Rode Kruis – ja, zelfs het federale onderzoeksbureau van de Verenigde Staten, de FBI, hebben ieder voor zich gerapporteerd over martelingen door het Amerikaanse leger in Guantánamo en Irak. Internationaal staat Washington onder druk om de illegale verhoren van gevangenen te staken; het is een onderwerp van voortdurend politiek en maatschappelijk debat in Amerika en elders – maar er verandert niets. Guantánamo Bay blijft een plaats waar de Amerikanen ostentatief het internationale humanitaire recht negeren.

Martelen is een internationaal misdrijf – het is in strijd met de Geneefse verdragen over het oorlogsrecht – en het is een zelfstandig delict. Militair gezien levert het niet veel op omdat de resultaten onbetrouwbaar zijn. Drijfveer voor degenen die zich aan martelen schuldig maken, is doorgaans intimidatie. Nog steeds wordt het martelverbod wereldwijd op grote schaal geschonden, zo blijkt uit gegevens van de Verenigde Naties. Martelen is zo oud als het krijgsbedrijf zelf, maar daarom niet minder afkeurenswaardig. Hoezeer het ook een feit kan zijn dat (vermeende) Al-Qaedastrijders terroristen of moordenaars zijn, dit moet wel eerst met wettige middelen worden aangetoond. De vondst van de Amerikaanse regering om de Guantánamo-gevangenen `illegale combattanten' of `vijandelijke strijders' te noemen, voor wie geen of andere wetten zouden gelden, is een afleidingsmanoeuvre die voorbijgaat aan de essentie. Die luidt dat een ieder die in de Amerikaanse marinebasis wordt vastgehouden, toegang dient te hebben tot het rechtssysteem in de VS om zijn gevangenschap te kunnen toetsen. En dat kan nu juist niet.

Het zijn deze reële misstanden die de geruchten over het vasthouden door de VS van gevangenen op geheime plaatsen in Europa een extra lading geven. Een gerucht is nog geen feit. Maar Guantánamo Bay en de wantoestanden in de Iraakse Abu-Ghraibgevangenis, waarvoor Amerikaanse militairen verantwoordelijk waren, laten zien dat er geen rook is zonder vuur. Anders gezegd: gelet op het voorafgaande, is met de eventuele CIA-detentiekampen in Europa de nodige achterdocht gepast. Het is dan ook juist dat de roulerend voorzitter van de Europese Unie, Groot-Brittannië – nota bene Amerika's trouwste bondgenoot – zich bezorgd toont over de geruchten en Washington om opheldering wil vragen. De lidstaten, waaronder Nederland, hebben overigens met dit gemeenschappelijke initiatief hun verantwoordelijkheid niet gedelegeerd. Ze dienen afzonderlijk het waarheidsgehalte van deze onbevestigde berichten te onderzoeken.

De regering-Bush heeft tot nu geen politieke consequenties getrokken uit Guantánamo Bay of Abu Ghraib. Integendeel; een lage militair moest boeten voor het vernederen van Iraakse gevangenen. De verantwoordelijk minister, Donald Rumsfeld van Defensie, bleef ten onrechte zitten waar hij zat. De problemen met de martelingen en de mogelijke CIA-kampen zijn zeker juridisch, maar bovenal politiek van aard – en terug te voeren tot het hoogste niveau.