Geloven en politiek bedrijven gaan heel goed samen

Scheiding van kerk en staat betekent niet scheiding van geloof en politiek. Wie geloof buiten de politiek wil houden, zal dat ook moeten laten gelden voor het rationalisme, meent André Rouvoet.

Wat is nu eigenlijk precies het probleem met `geloven in de politiek'? Is er wel een probleem? Of wordt er een probleem van gemaakt? Zou dit misschien een voorbeeld zijn van het verschijnsel dat politici er soms eer in lijken te stellen om bij elke oplossing ten minste drie problemen te bedenken?

Ten aanzien van `geloven in de politiek' heb ik al heel lang dat gevoel. Daaronder ligt een hardnekkig misverstand, waar ik al járen tegen strijd, te weten dat de scheiding van kerk en staat ernstig wordt bedreigd doordat er nog altijd politici zijn die maar niet willen inzien dat zij hun geloof thuis op het nachtkastje behoren te laten wanneer zij naar het Binnenhof afreizen.

Daarmee verwordt dit belangrijke beginsel van de rechtsstaat, dat ook door mij als gelovig christen wordt onderschreven, tot een `scheiding van geloof en politiek'. Ik gebruik nu de term 'verwording' in plaats van `misverstand', ook omdat ik het ernstige vermoeden heb dat er meer aan de hand is dan een domweg niet goed begrijpen.

Iets dergelijks zagen we bij de kwestie van de preambule van de Europese Grondwet, toen de tegenstanders van een verwijzing naar de joods-christelijke traditie van Europa – waarmee slechts recht zou worden gedaan aan de historie – hardnekkig bleven spreken van pogingen van christenen om Europa te annexeren door te ijveren voor een verwijzing naar `God in de Grondwet'.

Kijk, zoiets kán natuurlijk onwetendheid zijn, maar als men zich ook na herhaalde correctie volhardend betoont, rijst toch het vermoeden van kwaadwilligheid.

Wat mij zorgen baart, is dat er in brede kring sprake lijkt te zijn van een blinde vlek ten aanzien van de betekenis van geloof voor iemands politieke overtuigingen. Of moet ik zeggen: ideologisch-dogmatische bijziendheid?

In de Leidse bundel Religie als bron van sociale cohesie in de democratische rechtsstaat? windt de ethicus G. Manenschijn er geen doekjes om: ,,Men kan er vast van overtuigd zijn dat seculier denken superieur is aan religieus denken, maar als men zich niet kan voorstellen dat het voor gelovigen anders ligt, schiet men tekort in intellectueel voorstellingsvermogen en wetenschappelijke competentie.'' Au!

Overigens: wie `geloof' buiten de politiek wil houden, zal dat ook moeten laten gelden voor het rationalisme, dat door Ian Buruma en Avishai Margalit in hun fascinerende boek over het `occidentalisme' wordt omschreven als ,,het geloof dat enkel en alleen de rede de wereld kan verklaren''. Dit geloof is volgens hen ook nog eens zeer riskant, aangezien het occidentalisme (het verwrongen vijandbeeld dat onder andere het islamisme heeft van het Westen) kan worden gezien als ,,uiting van bittere wrok jegens een agressief vertoon van westerse superioriteit, die is gebaseerd op de vermeende superioriteit van de rede''.

Zij wijzen er tevens op dat ook het secularisme zomaar een vorm van dogmatisch geloof kan worden. En daarmee zijn we terug in het Nederlandse politieke debat. Want als het afgelopen jaar iets duidelijk is geworden, dan is het wel dat in het debat over de scheiding van kerk en staat `geloof tegenover geloof' staat: geloof in de rede tegenover geloof in God (of Allah), seculiere beginselen tegenover christelijke beginselen, bijbelse orthodoxie of islamitisch dogmatisme tegenover Verlichtingsfundamentalisme.

Het meest sprekend kwam dit Verlichtingsfundamentalisme tot uiting in dat gênante debatje tijdens het vragenuurtje van 24 mei, over de opportuniteit van een wetenschappelijk debat over `Intelligent Design'. Ik heb dat persoonlijk vanuit het oogpunt van parlementair-democratische mores en een respectvol met elkaar omgaan als een treurig dieptepunt ervaren.

Woordvoerders van verschillende fracties, onder aanvoering van D66-woordvoerder Bert Bakker, putten zich met groot enthousiasme (als het geen germanisme was, zou ik de religieus getinte term `begeestering' gebruiken) uit in het bedenken van geestige vergelijkingen van het geloof in een schepping of ontwerp met fakirs en het verhaal van de ooievaar. En zo kwam bij een aantal democraten de eigen totalitaire waarheidspretentie (de term is van Von der Dunk) onder het dunne vernislaagje van tolerantie vandaan.

Hier sprak de elite van de `umma der verlichten' haar geloofsbelijdenis uit en alle simpele zielen die nog in de duisternis van een eenvoudig geloof in een Schepper wandelen wisten weer dat ze van de kerk van de Verlichting niet veel meer te verwachten hebben dan dédain en op z'n best meewarigheid.

Eenzelfde ideologische, bijna religieuze gedrevenheid valt te bespeuren in de kruistocht van D66, in het bijzonder collega Lousewies van der Laan, tegen de strafbaarheid van smalende godslastering.

De zelfverzekerdheid van het strikt seculiere wereldbeeld is de zelfverzekerdheid van de aanhangers van het ptolemeïsche wereldbeeld vóór Galilei. En de bezorgdheid van velen over de kanteling in verhouding religie/geloof en levenspraxis/politiek moet vergelijkbaar zijn met de bezorgdheid van de Newtoniaanse natuurwetenschappers over de publicaties van Albert Einstein, die het gangbare paradigma bedreigden. ,,En toch is de aarde plat'', monkelen de kinderen der Verlichting. Thomas Kuhn, de founding father van de paradigmatheorie in de wetenschapsleer, zou erom moeten glimlachen. Lynn Margulis, hoogleraar biologie aan de Universiteit van Massachusetts, schreef dat de geschiedenis uiteindelijk het neodarwinistisch evolutiegeloof zal beoordelen als ,,een kleine 20ste-eeuwse sekte binnen de uitzwermende religieuze overtuiging van de Angelsaksische biologie''. Ik bedoel maar.

Ik realiseer mij dat ik mijn pijlen vooral op D66'ers lijk te richten. Nu geven zij daar natuurlijk ook wel aanleiding toe, gezien hun antireligieuze agenda en hun fanatieke strijd om geloof en religie buiten de politiek te houden.

Nadat ik D66 vorige week in een interview om deze reden ,,gevaarlijk'' had genoemd, schreef Lousewies van der Laan op haar weblog dat ze dat eigenlijk vooral als een compliment beschouwt. Als een ware missionaris van het Verlichtingsgeloof schrijft ze vervolgens, onder verwijzing naar het IDdebat: ,,als er een conflict is tussen de wetenschap en het geloof, dan moeten we het geloof verlichten en niet de wetenschap verduisteren.''

Ik hoop duidelijk te hebben gemaakt dat er op de steling dat de merkbare presentie van een godsgeloof in het publieke domein in strijd zou zijn met het rechtsstatelijke beginsel van de scheiding van kerk en staat, fors valt af te dingen. Natuurlijk valt er over de inhoud van de aldus gefundeerde politieke standpunten te discussiëren, als het nodig is stévig te discussiëren; ik zal de laatste zijn om te beweren dat alles wat vanuit een geloofsopvatting wordt ingebracht in het publieke discours probleemloos is.

Want ja: er zíjn uit naam van het geloof verkeerde keuzes gemaakt en verwerpelijke daden begaan. Maar daartegenover staat dat een levend geloof óók in het publieke domein ons heel veel goeds heeft gebracht.

Ik wil maar zeggen: op beide heeft een politieke overtuiging die is gestoeld op een geloofsovertuiging niet het monopolie. Zo min als de guillotine reden is om humanistische overtuigingen uit het publieke debat te weren, zo min vormen de godsdienstoorlogen reden om bijvoorbeeld christelijk geïnspireerde politiek als een ontoelaatbare inbreuk op de scheiding van kerk en staat te beschouwen.

Misschien mag ik het tegen de Von der Dunks, Cliteurs, Bakkers, Wildersen, Van der Laans en Hirsi Ali's van deze wereld zeggen met de woorden van Gandhi: ,,Wie religie en politiek van elkaar wil scheiden, heeft van beide niets begrepen.''

André Rouvoet is lid van de Tweede Kamer en is leider van de fractie van de ChristenUnie. Deze tekst is een ingekorte versie van de toespraak die hij gistermiddag hield bij de presentatie van het `Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2005', dat als thema had `God in de Nederlandse politiek'.