Geen socialisme maar modernisme

Op het International Documentary Filmfestival Amsterdam, dat morgenavond begint, zijn drie onlangs teruggevonden film te zien van Joris Ivens, de naamgever van de belangrijkste prijs van het festival.

Dit voorjaar vond filmhistoricus Bert Hogenkamp drie korte films van de Nederlandse documentairemaker Joris Ivens terug, die lang als verloren waren beschouwd. Ze worden nu vertoond op het IDFA. Het gaat om drie aanvullingen op Wij bouwen, een uit vele delen bestaande productie die in 1929-1930 onder Ivens' leiding werd gemaakt voor de sociaal-democratische vakbond van bouwarbeiders. De films werden hervonden bij het Hilversumse Instituut voor Beeld en Geluid in de collectie van Polygoon, de studio die vooral bekend is gebleven vanwege zijn Nederlandse bioscoopjournaals. In de Nederlandse filmarchieven worden vaker belangrijke vondsten gedaan. De collecties van Beeld en Geluid bevatten vele films die meer aandacht verdienen. Zo werd tegelijk met de Ivens-films een onbekende compilatiefilm aangetroffen die in de jaren dertig gemaakt is door de schrijver Jef Last. Het Filmmuseum in Amsterdam hervond pas onopgemerkt vijf non-fictiefilms van de fameuze filmpionier Willy Mullens uit het begin van de jaren twintig.

Het belang van de drie gevonden Ivens-films verschilt. Een impressie van een jeugdkamp op de Veluwe, Van jeugd, strijd en arbeid, gaat het niveau van een vakantiefilmpje niet te boven, zoals Beeld en Geluid zelf al aankondigt. Interessanter zijn Betonarbeid en Spoorwegbouw Zuid-Limburg, typische voorbeelden van de avant-garde esthetiek die Ivens indertijd aanhing. In de jaren twintig ontstonden kunststromingen als het constructivisme, de nieuwe zakelijkheid en de nieuwe fotografie, die gefascineerd waren door de moderne tijd en een vormgeving zochten die paste bij het industrietijdperk. Ook op de film had dit denken zijn invloed en veel van Ivens' vroege werk is daar uitdrukking van.

In Betonarbeid wordt in 34 minuten de bouw van een caissonwand voor de Rotterdamse Merwehaven uit de doeken gedaan. Na wat saaie beginminuten volgt een lofzang op de industriële wereld, opgebouwd uit een geometrie van vierkanten, rechthoeken, ijzervlechtwerk, brugkranen en beton, met te midden daarvan doelgericht werkende arbeiders.

Indertijd sprak zo'n arbeider na het zien van een deel uit Wij bouwen tot Ivens de nog vaak geciteerde woorden: ,,Mijnheer, zo zien wij het precies eender!'' Toch zat de voorzitter van de bouwarbeidersbond E. Sinoo dichter bij de waarheid toen hij Ivens' werk `een zuivere filmschepping' noemde. De werkers zullen vast blij zijn geweest dat iemand ze wilde filmen, maar bij Ivens zijn ze vooral figuranten in een industrieel landschap dat staat voor de nieuwe tijd, niet die van het socialisme, maar van het modernisme. En dit ondanks het feit dat Ivens toen al met het communisme sympathiseerde. Later werd in Wij bouwen een bijzondere belangstelling voor de psyche van de arbeider en de essentie van de handarbeid ontwaard - ook door Ivens zelf, die toen liever socialist dan avant-gardist geweest wilde zijn - maar het was grotendeels interpretatie achteraf. Zijn volgende belangrijke film, Philips Radio, werd in 1931 door zowel de Nederlandse socialistische pers als in Moskou scherp bekritiseerd omdat er meer belangstelling voor machines dan voor het proletariaat uit bleek, hoewel de maker van Philips de vrijheid had gekregen in de fabriek te filmen wat hij wilde. Tijdens de opnamen had de regisseur dan ook al gezegd dat deze film ,,de filmische verwerking van een, beter gezegd van het twintigste eeuwse gerationaliseerde massabedrijf'' was. Ook Philips werd voor Ivens een middel om het idee van het modernisme uit te drukken. Pas twee jaar later nam hij afscheid van de avant-garde.

Terwijl Betonarbeid een duidelijke structuur heeft, die bepaald wordt door de opeenvolgende fasen van het productieproces, is in Spoorwegbouw Zuid-Limburg nauwelijks lijn te ontdekken. Er zit een aantal prachtige shots en beeldopeenvolgingen in, maar een geheel wordt het niet. Kenmerkend is wat dit betreft het slot, waar zonder aanwijsbare reden ineens een tunnelboog wordt getoond, vermoedelijk omdat hij een mooie moderne buiging heeft.

De drie hervonden films zijn met hun hoogte- en dieptepunten representatief voor het tweeënhalf uur durende geheel van Wij bouwen. Er is in te zien waarom Ivens toen al een internationale reputatie had verworven, maar ook dat hij pas twee jaar filmmaker was en ervaring miste voor zo'n groot project.

Op het IDFA worden de films twee keer vertoond. De ene keer op het oorspronkelijke 35 mm formaat met live muziek van de groep Roomtone. De andere keer in een digibeta-projectie. Dit laatste zou het signaleren niet waard zijn, wanneer het eenmalig was. Maar het Instituut voor Beeld en Geluid lijkt het steeds vaker aanvaardbaar te vinden historische films digitaal te projecteren, vooral uit kostenoverwegingen. Ook wanneer het films zijn die vanwege hun artistieke betekenis worden vertoond. Van een instelling die een deel van het culturele filmerfgoed beheert, mag meer worden verwacht.

`Ivens Rediscovered' 27 november, 16 uur in Cinerama en 2 dec. 20 uur in City.