Elke scène wordt een pijnlijk afscheid

François Ozon heeft wat met de zee. De zee komt in bijna al zijn films wel even voor, van zijn eerste kortfilms Un robe d'été en Regarde la mer (beiden 1996/7) tot vorig jaar 5 x 2, waarin zijn geliefden elkaar aan het strand mochten ontmoeten. En de zee is natuurlijk verslindend immens, alomtegenwoordig hongerig in wat door velen als de beste film van het veelfilmende Franse wonderkind wordt beschouwd: Sous le sable uit 2000.

Met die film heeft zijn nieuwste, Le temps qui reste, veel gemeen. De films zouden delen van een trilogie over rouw zijn, al weet de regisseur nog niet helemaal zeker of het derde deel er binnenkort wel komt. Zonder zo'n slotdeel vormen Sous le sable en Le temps qui reste een mooi tweeluik over de dood van de ander en de dood van jezelf.

In Sous le sable wordt Charlotte Rampling geconfronteerd met de verdwijning van haar echtgenoot en de vraag of een leven (en de ware liefde) zonder sporen na te laten kan verdwijnen. In Le temps qui reste draait het om de succesvolle jonge Parijse modefotograaf Romain (Melvin Poupaud). Op het moment dat Romain van zijn dokter te horen krijgt dat hij nog maar kort heeft te leven, heeft hij nog niet bepaald het hart van de toeschouwer veroverd.

En zo wil Ozon het ook. Want samen met Romain zelf krijg je als kijker langzaam greep op zijn leven. En zou je, naar analogie met Sous le sable kunnen zeggen dat Le temps qui reste gaat over de sporen die iemand van zijn eigen leven wil nalaten.

De film opent met een droom waarin Romain zichzelf als zevenjarige als het ware geboren ziet worden in de vloedlijn. En daar waar de golven in fenomenaal CinemaScope alles weer uitwissen, zal ook zijn leven eindigen.

Ozon laat het menselijk lichaam tenslotte een landschap worden in Le temps qui reste. Terwijl het lichaam aftakelt, wint de geest van Romain aan kracht. Het spel met dat soort tegenstellingen is meteen de grootste formele truc die Ozon in deze film toepast. We zijn het van hem gewend, vormspel, genrecitaten uit melodrama en whodunit. In Le temps qui reste heeft hij close-up en two-shot tot zijn voornaamste idioom verklaard. Elke scène van de film is een afscheid. Van Romain en zijn ouders, zijn zus, zijn door Jeanne Moreau gespeelde grootmoeder, zijn minnaar. Het is een pijnlijke afscheid, want met uitzondering van zijn oma neemt Romain niemand in vertrouwen, wat zowel eenzaam als gemeen is. En in elke scène zien we Romains gezicht gecombineerd met dat van een van deze anderen. Samen, maar toch alleen. Steeds twee verschillende leeftijden. Je zou ze als spiegelbeelden kunnen beschouwen, of juist als Januskoppen, of zien als een balans van de ongelijksoortige grootheden die verschillende levens nu eenmaal zijn.

Om Romains leven toch nog zin te geven, haalt Ozon een aanvankelijk wel erg vergezochte plottwist uit. Maar hoe beter wij Romain leren kennen, hoe begrijpelijker het wordt dat deze egocentrische homoseksueel, die zijn ouders haat, evenals de kinderen van zijn zus, misschien toch wel een eigen familie wil hebben om in voort te bestaan.

Volstrekt onsentimenteel gaat Ozon, naarmate de film vordert en Romains leven meer eindigt, te werk. En hoe soberder hij filmt, hoe groter de impact en de ontroering. Van een vreemdeling is Romain iemand geworden die je zo nabij kan komen dat Le temps qui reste je ook het sterven van het zelf al levend kan laten voelen.

Le temps qui reste. Regie: François Ozon. Met: Melvil Poupaud, Jeanne Moreau, Valeria Bruni Tedeschi, Daniel Duval, Marie Rivière, Christian Sengewald. In: 15 bioscopen.