Wie is de bron van Woodward in het Witte Huis?

Journalist Bob Woodward, beroemd van het onderzoek naar hetWatergateschandaal, speelt nu ook een rol in Plamegate. Schurkte hij te dicht tegen de macht aan?

Condoleezza Rice was het niet. Dick Cheney was het niet. George W. Bush: ook niet. Donald Rumsfeld: niet. Bijna elke hoge Amerikaanse regeringsfunctionaris wil het dezer dagen openlijk gezegd hebben: hij (m/v) was niet de bron van journalist Bob Woodward inzake Plamegate – het lekken van de naam van CIA-geheimagente, Valerie Plame, wier echtgenoot een van de onderbouwingen voor de oorlog in Irak betwistte (zie inzet).

Woodward, beroemd door onthullingen die de val van president Nixon in 1974 inleidden, heeft zich vorige week in die zaak gewurmd. In een ongebruikelijke positie – als hoeder van de powers that be. Maar dat niet alleen. Evengoed moet door zijn interventie één politicus – onbekend is nog wie – vrezen dat hij alsnog wordt aangemerkt als verdachte van meineed; vandaar de openbare ontkenningen van alle prominente politici. En intussen heeft Woodward te kampen met kritiek dat hij een verlengstuk van de macht is geworden. Maar journalistiek, zei hij gisteren in zijn eerste interview na zijn interventie, ,,gaat over waarheid''. Als dat je reputatie aantast – pech. ,,Feiten gaan altijd voor.''

Woodward kwam met zijn nieuwe feiten drie weken nadat de aanklager de eerste fase van het onderzoek afsloot. Daarin werd topadviseur `Scooter' Libby van het Witte Huis als verdachte van meineed aangemerkt. Volgens de aanklager wist Libby van regeringsbronnen, onder wie Cheney, dat Plame een undercoveragente van de CIA was. Het openbaren van identiteit van een geheim agent is strafbaar. En volgens de aanklager loog Libby daarover tegen zijn ondervragers in het onderzoek. Die vertelde hij dat hij de informatie over Plame had vernomen van een journalist. Maar verscheidene verslaggevers verklaarden dat juist Libby hun vertelde over Plame's baan bij de CIA.

Essentieel in de getuigenis van Woodward is dat een regeringsfunctionaris, niet zijnde Libby, hem informeerde over Valerie Plame vóórdat Libby met journalisten over Plame sprak. Dat ondermijnt de geloofwaardigheid van de aanklacht tegen Libby, omdat daarin staat dat Libby ,,de eerste'' was die gegevens over Plame lekte. De advocaten van Libby reageren juichend op Woodwards verklaring.

Gisteravond gaf Woodward Libby een volgende steun in de rug door te verklaren dat hij ,,mogelijk'' Libby heeft verteld over Plame's baan bij de CIA. Als de aanklager die lezing volgt is Libby – en daarmee Cheney – zo'n beetje uit de problemen.

Of de aanklager dat doet is onbekend. Zoals altijd onthoudt Patrick Fitzgerald zich van commentaar. Eind vorige week maakte hij slechts bekend dat hij binnen afzienbare tijd nieuw bewijs in de zaak wil presenteren. Tegen Karl Rove, de strateeg van Bush (die overigens ook heeft ontkend dat hij de bron van Woodward is) loopt nog altijd onderzoek.

Intussen groeit in Washington de nieuwsgierigheid naar de bron van Woodward. Woodward heeft verklaard dat hij hem medio juni 2003 sprak tijdens zijn research voor het boek Plan of Attack (2004), een reconstructie van de politiek-bestuurlijke aanloop naar de oorlog in Irak. Bush en Rumsfeld worden openlijk in dat boek opgevoerd. In zijn verantwoording schrijft Woodward dat hij ,,meer dan 75'' anonieme bronnen in de regering en de CIA raadpleegde. Uit opmerkingen van Woodward over de Plamegate-bron valt af te leiden dat de bron in een eerder verhoor bij de FBI zijn contact met Woodward heeft verzwegen. Daarmee loopt de betrokkene nu een serieuze kans op vervolging, wie het ook is, aldus deskundigen.

Terwijl de jacht op zijn bron voortgaat, benadrukt Woordward dat hij geen geloof hecht aan het idee van een gecoördineerde campagne tegen Plame en haar echtgenoot. ,,Ik denk dat we zullen ontdekken dat dit hele verhaal is begonnen met roddel, gebabbel'', zegt hij. ,,Er was geen kwaadaardigheid of criminele intentie toen dit begon.'' Feit is dat ook andere media – het tijdschrift Newsweek deze week – Plamegate de laatste tijd eerder presenteren als een gevolg van de coterie in Washington dan als het effect van een welbewuste campagne.

Probleem voor Woodward is dat hij zelf ook tot die coterie wordt gerekend. In bespiegelingen over zijn werkwijze – hij schrijft al vijftien jaar boeken over de binnenwereld van het machtscentrum, die de krant The Washington Post voorpubliceert – komt vaak terug dat hij voor zijn projecten afhankelijk is geworden van goede relaties met vooraanstaande politici.

Eén zin achtervolgt Woodward de laatste week, uit een transcriptie van een interview met minister van Defensie Rumsfeld voor Plan of Attack. Rumsfeld is in het begin van het gesprek bokkig, Woodward trekt hem vervolgens zó over de streep: ,,Ik heb een goede relatie met president Bush, en hij wil dat ik dit doe, zoals u weet.''

De mediacriticus van de Los Angeles Times, Tim Rutten, noemde Woodwards werkwijze ,,een handel in vertrouwelijkheid en toegang [tot prominente politici, red.] die volkomen gecorrumpeerd is''.

The Washington Post, waar Woodward lid is van de hoofdredactie zonder deel uit te maken van de dagelijkse leiding, prijst hem om zijn vele verdiensten maar geeft toe dat hij steekjes heeft laten vallen. Woodward zelf heeft excuses gemaakt omdat hij in 2003 collega's niet heeft verteld van zijn kennis over Plamegate. De ombudsman van de krant bepleitte toezicht op Woodward. ,,Woodward heeft een eindredacteur nodig; iedere verslaggever heeft er een nodig.''