Taaie bergslak

Ze zijn spreekwoordelijk traag. Maar juist daarom lenen slakken zich prachtig voor onderzoek naar evolutionaire processen. Tijdens de ijstijden bleven sommige bergtoppen in de Alpen ijsvrij. Hier leven nog steeds landslakken als relicten uit de IJstijd. Bij Naturalis in Leiden onderzoekt prof. Edi Gittenberger deze opmerkelijke landslakken in relatie tot hun `moderne' soortgenoten. Door een nauwkeurige analyse van verschillende populaties van deze ene soort landslak hoopt hij hun evolutionaire geschiedenis, differentiatie en beginnende soortvorming, te reconstrueren.

U wilt de evolutie aan het werk zien?

Gittenberger: ,,Experimenteel evolutieonderzoek is vrijwel onuitvoerbaar. Je kunt een populatie planten of dieren niet duizenden jaren isoleren en kijken of er nieuwe soorten ontstaan. Maar je kunt wel terugkijken in de tijd. In de laatste IJstijd, zo'n 18.000 jaar geleden, waren grote delen van Europa volstrekt onbewoonbaar, maar sommige Alpenweitjes waren 's zomers ijsvrij. Zulke zuidhellingen waren groene oasen, omringd door enorme massa's ijs. Nunataks noemen de Eskimo's zo'n berghelling, in Groenland vind je ze nog steeds. Hier leven geen herten of reeën, maar wel kleine, ongewervelde dieren zoals slakken. 's Winters kruipen ze weg onder hout of stenen. Tijdens de IJstijd zaten ze als het ware op een eiland, geïsoleerd van andere populaties. Toen het klimaat warmer werd, trokken ze de dalen in, waar ze duizenden jaren later hun oude soortgenoten tegenkwamen. Die waren uit lager gelegen, ijsvrij gebleven streken in Midden-Europa onderweg naar de Alpen.

,,Arianta is een in Europa wijd verspreide landslak. In de Alpen leeft hij tot op bijna drie kilometer hoogte, waarbij opvalt dat slakkenhuisjes en eieren steeds kleiner worden. Die dwergvorm is een aanpassing aan het kortere groeiseizoen hoger in de bergen. Deze vormenreeksen, ontstaan afhankelijk van het milieu, vind je alleen bij de slakken die pas na de IJstijd de bergen introkken. Daarnaast leven in de Alpen nakomelingen van de overlevers in de IJstijd. Die zijn een stuk groter. Beide vormen kruisen en krijgen vruchtbare nakomelingen. Als je daar rondloopt zie je duidelijke zones met soort A, gevolgd door een zone met hybride vormen en dan een zone met soort B. Die kruising ontstaat kennelijk steeds opnieuw, al duizenden jaren lang. Bij de `kleinkinderen' tref je allerlei mengvormen aan.

,,Met moderne DNA-technieken zijn de veronderstelde verwantschappen getoetst. Daaruit blijkt dat de kleinere slakken inderdaad pas vrij recent, hooguit enkele duizenden jaren geleden, postglaciaal, uit de dalvormen zijn ontstaan, dat in tegenstelling tot de alpiene overlevers.''

Waarom zijn de slakken die de IJstijd in de Alpen hebben overleefd ook niet wat kleiner?

,,Misschien hebben ze gewoon niet de kans gekregen. Niet alles wat zinvol is in de evolutie ontstaat ook echt. Zo'n Nunatak bezat een beperkte genenpool, misschien ontbrak de erfelijke variatie. De Arianta heeft maar op een paar plekken in de Oostenrijkse en de Franse Alpen overleefd en nergens in de Zwitserse Alpen, maar wèl weer in de Dolomieten. Ook het DNA-onderzoek wijst op nauwe verwantschap, kennelijk hebben die populaties ooit in contact gestaan voordat het ijs de verbindende groepen deed uitsterven.''

Hoe snel reist zo'n slak nou?

,,Dat is een kwestie van meters per jaar, vooral als het tegen de stroomrichting van rivieren op gebeurt, zoals bij die Alpenslakken. Landslakken zijn nog steeds bezig om de Alpen na de IJstijd voetje voor voetje te heroveren. Op Hawaï is aangetoond dat sommige landslakken in hun leven hooguit een tot anderhalve meter van hun geboorteplek komen. Door verschuivingen in de aardkorst, zoals tectonische bewegingen in dit geologisch instabiele gebied, worden ze verder verplaatst dan door hun eigen kruipen. Sommige invasieve soorten kunnen zich snel verspreiden, maar gelukkig lang niet alle soorten. Als alles overal zat zou het erg saai zijn.''

dezeweekspreekt@nrc.nl