Sharon zorgt voor aardverschuiving

Wanneer Sharon een sterk publiek mandaat krijgt voor een gematigd beleid, zal Israël meer dan ooit bereid zijn een akkoord te sluiten met de Palestijnen, Syrië en de Arabische wereld als geheel om tot een alomvattende diplomatieke oplossing voor het conflict te komen, betoogt Barry Rubin.

De Israëlische politiek beleeft haar meest dramatische veranderingen in dertig jaar. De herschikking van partijen en leiders is des te opmerkelijker omdat de jongste ontwikkelingen – Ariel Sharons besluit de Likudpartij te verlaten, de nederlaag van Shimon Peres als voorzitter van de Arbeidspartij, en de terugtrekking van de Arbeidspartij uit Sharons grote coalitie – volslagen onverwachts zijn gekomen. Des te belangrijker is het om goed te begrijpen welke betekenis deze veranderingen hebben voor de toekomst van Israël, de regio en het Arabisch-Israëlische conflict.

Israëls politieke bestel nadert het einde van zijn tweede tijdperk. Van de onafhankelijkheid in 1948 tot aan 1977 overheerste de Arbeidspartij, die toen plaatsmaakte voor een oppositiecoalitie van conservatieve, nationalistische en centrumpartijen, die waren samengegaan in het Likudblok. Sindsdien hebben de twee partijen elkaar afgewisseld aan de macht, soms in een grote coalitie en vaak in coalities met kleinere partijen.

Oppervlakkig bezien draaide de rivaliteit tussen de partijen om `links' en `rechts', ofwel om `haviken' en `duiven'. In feite ligt het natuurlijk ingewikkelder. Maatschappelijke klasse en economische kwesties, die werden overschaduwd door hardnekkige, meer existentiële problemen – fysieke veiligheid en het voortbestaan van het land –, hebben in Israël altijd een veel kleinere rol gespeeld dan in andere samenlevingen.

De politieke tweedeling zou kunnen worden omschreven als de `optimisten' tegenover de `pessimisten'. De eersten, bijvoorbeeld in de Arbeidspartij, meenden dat onder de Arabieren en de Palestijnen een keer een kracht zou opstaan die bereid was om op een redelijke basis vrede te sluiten; de laatsten, bijvoorbeeld in Likud, waren sceptischer.

Jarenlang is dit verschil van mening een abstractie gebleven, een debat over wat in de toekomst zou kunnen gebeuren, totdat in 1993 de Oslo-overeenkomst met de PLO de diverse opvattingen op de proef stelde. Sinds 2000, toen Yasser Arafat een politiek akkoord afwees en in plaats daarvan een vijfjarige terroristische oorlog begon, zijn er niet veel optimisten meer over.

De daaropvolgende politieke hergroepering in Israël is uitgemond in een nieuwe nationale consensus. Thans wordt algemeen aanvaard dat Israël, zoals links altijd al heeft beweerd, bereid zou moeten zijn om zich terug te trekken uit de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, en in ruil voor echte vrede te accepteren dat er een Palestijnse staat komt. Maar men is het er ook over eens dat er, zoals rechts altijd al heeft beweerd, geen partner is die bereid is om echt vrede te sluiten. Tegen deze achtergrond heeft Sharon als man van de harde lijn twee grote verkiezingsoverwinningen behaald, die hij heeft laten volgen door een gematigd beleid, inclusief volledige terugtrekking uit de Gazastrook.

Daar staat Israël op dit moment, nu het wordt geconfronteerd met een politieke aardverschuiving die door twee ontwikkelingen in gang is gezet. In de eerste plaats heeft Sharon Likud doen opschuiven naar het centrum en het tot de dominante partij gemaakt, en daarbij afgerekend met alle bestaande ideeën over zijn karakter, zijn methoden en zijn kijk op de wereld. Maar juist om die reden beschouwen velen binnen Likud Sharon – één van de oprichters van de partij – als een verrader. Nu moet Sharon zijn hervormingen zien te institutionaliseren, zelfs al moet hij daarvoor nu een nieuwe partij oprichten.

In de tweede plaats heeft de Arbeidspartij een politiek bankroet geleden, met de 82-jarige Shimon Peres als enig denkbare leider en met zijn anachronistische duivenoptimisme, dat van vele kanten bespot wordt. Als gevolg hiervan – en geholpen door een lage opkomst van de kiezers – zijn de verkiezingen voor het voorzitterschap van de partij gewonnen door Amir Peretz, een populistische outsider die de Arbeidspartij nieuw leven wil inblazen door sociale en economische kwesties bovenaan de agenda te plaatsen, en zich dus terug te trekken uit de coalitie van nationale eenheid met Likud.

Toch zal Sharon waarschijnlijk de verkiezingen winnen, die hij in februari wil laten houden. Peretz zal misschien aan de linkerzijde kiezers bij andere partijen weglokken, maar de Arbeidspartij gaat naar alle waarschijnlijkheid kiezers van het centrum – en kiezers voor wie de veiligheid van het land boven alles gaat – verliezen aan Sharon.

Paradoxaal genoeg zal dit alles in principe wel grote gevolgen hebben, maar in de praktijk misschien niet zo veel. Als Sharon een sterk publiek mandaat krijgt voor een gematigd beleid, zal Israël meer dan ooit bereid zijn een akkoord te sluiten met de Palestijnen, Syrië en de Arabische wereld als geheel om tot een alomvattende diplomatieke oplossing voor het conflict te komen.

Maar gezien de chaos en de verlamming die het Palestijnse beleid steeds meer kenmerken, zal die gelegenheid niet worden aangegrepen. De groeiende macht van Hamas, dat openlijk streeft naar meer terrorisme en naar de vernietiging van Israël, versterkt die trend. Hetzelfde kan worden gezegd van Syrië, waar de regering een harde lijn volgt en neigt tot een gevaarlijk avontuurlijke, strijdlustige houding.

Misschien zal Sharon besluiten tot gedeeltelijke terugtrekking en ontruiming van nederzettingen op de Weselijke Jordaanoever. Maar thans wordt in brede kring erkend dat zulke veranderingen een reactie zijn op de schamele vooruitzichten op werkelijke vooruitgang naar vrede. Het is niet zo zinvol om gebied vast te houden als inzet bij onderhandelingen als er niemand is om mee te onderhandelen.

In plaats daarvan zal Israël zich blijven concentreren op zijn veiligheid; het zal zijn verdediging tegen terroristen opvoeren en zijn greep versterken op de betrekkelijk kleine stukken van de Westelijke Jordaanoever die het bij een uiteindelijk diplomatiek akkoord zou willen behouden. Deze strategie heeft, mede door de aanhoudende Palestijnse aanvallen, als neveneffect dat sinds enige tijd de internationale sympathie met Israël toeneemt.

Ook dat zou kunnen doorgaan, als de huidige politieke hergroepering duurzaam blijkt en Sharon erin slaagt het centrum en zelfs gematigd links voor zijn programma te winnen. Uiteraard is niets zeker. De nog altijd machtige Benjamin Netanyahu zou zich als een sterke rivaal rechts van hem kunnen ontpoppen en wie weet wordt de Arbeidspartij onder Peretz nog een serieuze tegenstander links van hem.

Dat neemt niet weg dat de nationale consensus is veranderd en dat alle gevestigde ideeën over de Israëlische politiek op losse schroeven zijn komen te staan. De verkiezingen in februari zullen die gevestigde ideeën zwaarder op de proef stellen dan in tientallen jaren is gebeurd.

Barry Rubin is directeur van het GLORIA-centrum aan de Interdisciplinaire Universiteit van Israël, en hoofdredacteur van de `Middle East Review of International Affairs'. Zijn jongste boek is `The long war to freedom: the Arab struggle for democracy in the Middle East'.

© Project Syndicate