Misdaadjournalistiek

Familie, vrienden en medestanders van de vandaag in Nijmegen begraven Louis Sévèke riepen na de moord op tot terughoudendheid. Evenals burgemeester Ter Horst bezwoeren zij iedereen zich niet te wagen aan speculaties. Over de motieven van de dader(s) is immers niets bekend en giftige complottheorieën zijn wel het laatste waar Nederland op dit moment behoefte aan heeft.

In zijn streven naar bescherming van de burgerrechten en de privacy tegen mogelijke willekeur van de overheid mengde Sévèke zich in allerlei zaken die hem volgens de AIVD of de politie niets aangingen. Maar er is voorzover bekend geen enkele aanwijzing voor een verband tussen deze activiteit en de moord.

Dus geen fantasie alsjeblieft, geen insinuaties, geen voorbarige conclusies, geen intuïtieve oordelen.

Deze houding van de nabestaanden en de omgeving van het slachtoffer is ronduit bewonderenswaardig. Juist in deze kring is men vermoedelijk a priori weinig geneigd vertrouwen te stellen in de integriteit van het opsporingsonderzoek. Vergelijk dit eens met de onbekookte aanval die de fractievoorzitter van het CDA, Maxime Verhagen, deed op de rechterlijke macht na de vrijspraak in hoger beroep van Samir A. De grootste regeringspartij doet niet anders dan het wantrouwen in een onpartijdige rechtsgang voeden, wat van weinig verantwoordelijkheidsgevoel getuigt.

Maar wat een rottige toestand, intussen. Wat moeten mensen nog geloven, wie kunnen zij nog vertrouwen?

Dat is een vraag van alle tijden, maar ook één die in het nu bestaande klimaat – mede getekend door criminele liquidaties, politieke moorden op Fortuyn en Van Gogh, populistische propaganda over het verband tussen straatroof en de islam, ruzie over vrijheid van meningsuiting versus openbare orde – een beklemmend karakter krijgt.

Een jaar na de moord op Van Gogh werd diens speelfilm 06/05 over de moord op Fortuyn op de televisie vertoond. Op het scenario had thrillerschrijver Tomas Ross zijn fantasie losgelaten. Achter de moord op Fortuyn ging in de film – fictie doorsneden met authentieke beelden – een complot schuil van de AIVD. De veiligheidsdienst was van de moordplannen op de hoogte maar greep expres te laat in en rekende rücksichtslos af met mensen die te veel wisten, waarbij deze overheidsdienst ontvoering en doodslag niet schuwde.

Nu houd ik wel van een moordthriller op zijn tijd. Maar wat ik me afvroeg was of Van Gogh en Ross ook écht dachten dat het in werkelijkheid zo gegaan kon zijn als in hun film. En of hun beeld van de werkwijze van de AIVD gevoed zou kunnen zijn door hun vaders, die toevallig allebei een ambtelijke loopbaan doorliepen bij de BVD, de voorganger van de AIVD.

De speelfilm was hooguit geënt op de werkelijkheid, maar geen feitelijke reconstructie. Toch droegen Van Gogh en Ross uitdrukkelijk de boodschap uit dat ook in Nederland de politie en de veiligheidsdiensten tot elk onwettig handelen in staat zijn. Blijf daar maar eens rustig onder, na alles wat er inmiddels is gebeurd.

In alle ernst denk ik dat we, geconfronteerd met de vraag wie of wat je nog kunt geloven, weinig anders kunnnen dan vertrouwen stellen in de controle door het parlement (hoe moeilijk volksvertegenwoordigers als Verhagen, Eerdmans en Wilders dat ook maken) en in controle door de rechterlijke macht op het gebied van opsporing en vervolging. Ook dat laatste biedt, getuige de vrijwel ongelooflijke dwalingen in bijvoorbeeld de Puttense moordzaak of de Schiedamse parkmoord, helaas geen garantie.

Tegen die achtergrond heb ik de afgelopen tijd steeds meer waardering gekregen voor de misdaadjournalistiek in Nederland. Voorheen was dat de afdeling sensatie en amusement. Een onderschat stokpaardje van De Telegraaf, met inmiddels van de televisie bekend geworden misdaadverslaggevers als Peter R. de Vries en John van den Heuvel.Ik heb voor hen bewondering opgevat. Uiteraard niet onvoorwaardelijk. Evenals andere onderzoeksjournalisten bewegen zij zich soms in het glibberige grensgebied tussen opsporing van strafbare feiten – waarmee bij uitsluiting politie en justitie zijn belast – en journalistieke controle op de macht.

Anders dan politie en justitie beschikken misdaadjournalisten niet over bijzondere bevoegdheden die diep kunnen ingrijpen in de vrijheid van de burgers (en die, als het goed is, worden uitgeoefend binnen de grenzen van wettelijke waarborgen voor diezelfde burgers). Toch blijkt ook op dit terrein de journalistieke controle een onmisbare aanvulling te zijn op de instrumenten van de rechtsstaat die exclusief aan de overheid toekomen.

In het geval van de Puttense moordzaak, waaraan De Vries meer dan 40 tv-uitzendingen wijdde, leidde de openbaarmaking van door de bevoegde autoriteiten voor het publiek verborgen gehouden informatie tot rechtsherstel van twee verdachten van moord, die zeven jaar onterecht in de gevangenis hadden gezeten. Onomstotelijk toonde hij aan dat het onderzoek van politie en justitie tekort was geschoten.

Er zitten echter ook specifieke risico's aan misdaadjournalistiek. De verslaggevers die op dit gebied werken, maken gebruik van bronnen in het criminele milieu en lopen de kans voor het karretje te worden gespannen van dan weer de crimefighters van justitie, dan weer advocaten of criminelen. Hun journalistieke onafhankelijkheid staat voortdurend ter discussie. Zo werd De Vries verweten dat hij als vriend sprak bij de uitvaart van een bekende crimineel en kreeg Van den Heuvel vorige week het verwijt, in zijn functie van verslaggever, hetzelfde te hebben gedaan bij de begrafenis van een eveneens doodgeschoten delinquent die een belangrijke bron voor hem was geweest. Persoonlijk zie ik in beide gevallen het probleem niet echt, het was alleen maar menselijk, maar het is duidelijk dat misdaadjournalisten steeds moeten balanceren tussen afhankelijkheid van hun bronnen aan de ene en onafhankelijke verslaggeving aan de andere kant.

In principe verschilt dit dilemma niet van de keuzes die andere onderzoeksjournalisten moeten maken. Bob Woodward van The Washington Post heeft zijn geloofwaardigheid te grabbel gegooid door zich wat al te opzichtig te identificeren met zijn zegslieden in het Witte Huis, maar diezelfde Woodward was indertijd van Deep Throat afhankelijk toen hij samen met Carl Bernstein het Watergateschandaal onthulde.

Wat dit alles heeft te maken met de moord op Louis Sévèke?

Hij was ook een onderzoeker die geheime informatie aan de openbaarheid wilde prijsgeven en politie, justitie en AIVD hinderlijk volgde. Dat is één. En ik onthoud mij van speculaties, maar – dat is twee – ik vertrouw op de volwassen geworden misdaadjournalistiek. Op de journalistieke argwaan.