Levensavond vol junkieverdriet

Voor zijn nieuwe documentaire There goes my heart trok John Appel naar het Seniorenpand, een bejaardentehuis voor junks.

Het kostte John Appel – bekend van de documentaire Zij gelooft in mij over André Hazes – enige overredingskracht de bewoners van het Rotterdamse Seniorenpand voor zijn nieuwe filmplan te winnen. Met de camera zou hij de intimiteit in de broze gemeenschap van zeven oudere verslaafden misschien verstoren. De argwaan verdween pas toen hij bewoonster Kitty op haar 53-ste verjaardag met een bos bloemen verraste. John Appel: ,,Dat was haar nog maar een paar keer in haar leven overkomen. Het brak het ijs, ook bij de andere bewoners.''

Het `bejaardentehuis voor junks', waar Appel zijn jongste documentaire opnam, werd in 1999 geopend op initiatief van Bouman Verslavingszorg. Die instelling maakte zich zorgen over het lot van de oudere heroïneverslaafden, voor wie het leven op straat fysiek niet meer was op te brengen. De zeven bewoners, vier mannen en drie vrouwen van nu 53 tot 67 jaar, kregen een eigen kamertje in een aparte vleugel van een gewoon bejaardentehuis. Ze gebruiken nog steeds, zij het minder dan voorheen, maar zijn niet meer afhankelijk van dealen, stelen of de prostitutie.

Dankzij de openhartige medewerking van de bewoners is There goes my heart een even intrigerende als indrukwekkende film geworden. Intrigerend omdat deze speciale bejaardenafdeling zijn weerga in de wereld niet kent. De film is meer dan het portret van een bijzondere afdeling; hij gaat over de manier waarop in Nederland ook de junk een respectabel levenseinde wordt gegund en niet, zoals vrijwel overal elders, wordt opgegeven. Een verslaafde kan oud worden, leert de film, mits hij of zij een dak boven het hoofd heeft, enige regelmaat kent, zich goed voedt en op aandacht en zorg kan terugvallen.

Van meet af aan bestond voor het Seniorenpand veel belangstelling van de buitenlandse pers, stelt John Appel vast, terwijl de Nederlandse media alleen bij de opening waren vanwege bezwaren van de bewoners van het overkoepelende bejaardentehuis. Zes jaar na dato is de afdeling door de `reguliere' bejaarden aanvaard – zij het dat de beide gemeenschappen geen enkel contact onderhouden. Inmiddels is in het Seniorenpand sprake van uitbreiding van het experiment met nog eens zeven oudere junks.

De film biedt een weerslag van de dagelijkse gang van zaken in het pand en laat de bewoners een voor een aan het woord. Het indrukwekkende van de documentaire schuilt in de onbevangenheid waarmee de betrokkenen de ruïne van hun eigen leven schetsen. De meesten hebben niet of nauwelijks meer contact met hun familieleden of kinderen, zijn in de war, schizofreen, manisch of depressief. Hoezeer zij het ook hebben getroffen in vergelijking met hun lotgenoten op straat, het leven is voorbij en kan niet meer ten goede worden gekeerd.

Maar de bewoners ontlenen wel degelijk hoop aan hun betrekkelijk veilige bestaan: een hereniging met dierbaren, een liefhebberij in dichten of tekenen, ooit nog eens zelfstandig te wonen of gewoon een naar omstandigheden harmonische oude dag in de groep. De titel van de film is ontleend aan een nummer van Nat King Cole dat één van de junks zingt als herinnering aan een verloren liefde. In de gesprekken met de bewoners komen meer nostalgie en junkieverdriet aan de orde: de onvervuldheid van een verlangen, een onbeantwoorde liefde of het vergeefs nastreven van huiselijk geluk.

Een bijzonder droevig levensverhaal vertelt de oudste bewoner, een 67-jarige Friese horeca-exploitant die bij de gewelddadige afwikkeling van een drugsdeal een Marokkaan doodschoot. Een zwijgzame man die bij het uitje naar het Scheveningse strand, de apotheose van de film, verwonderd om zich heen kijkt en schijnbaar geniet. ,,Die ene dag in het jaar dat ze uit dat pand komen, beleven ze eufoor'', zegt John Appel over die slotscène. ,,Ze kijken even terug naar een betere tijd, verliezen hun ballast.'' De Surinamer Nella gaat in het koude water liggen en schept op dat hij in zijn jeugd gemakkelijk naar de overkant zwom. Nou ja, geeft hij na twijfel van zijn medebewoners toe, als jongen zwom hij in elk geval de Surinamerivier met gemak over.

Voor There goes my heart, dat op het komende IDFA in première gaat, bestaat volgens John Appel grote belangstelling in het buitenland. ,,Mijn film over André Hazes was typisch Nederlands. Deze film laat een verschijnsel zien dat internationaal uniek is. Junks krijgen huisvesting, een uitkering, mogen blijven gebruiken en worden daar oud. Er blijkt aan dit soort voorzieningen voor vergrijzende junks een grote behoefte te bestaan. Nu staan er honderden op de wachtlijst en in andere Nederlandse steden zijn soortgelijke initiatieven.''

There goes my heart, VPRO, Ned. 3, 23.00-23.50u.