Handelaar `wist niet van gifgas in Irak'

De Nederlandse zakenman F. van A., die van genocide wordt verdacht, zei gisteren voor de Haagse rechtbank dat hij lange tijd niet wist dat de stoffen die hij aan Irak leverde, werden gebruikt voor gifgassen.

Van A. (63) vertelde dat hem dat pas in 1988 duidelijk werd, toen Saddam Hussein de Koerdische plaats Halabja met gifgas aanviel, waarbij honderden burgers omkwamen.

Maar volgens het openbaar ministerie (OM) was Van A. al veel eerder op de hoogte van de bedoelingen van Saddam Hussein. Het OM wil in de rechtszaak, die gisteren begon en naar verwachting drie weken duurt, bovendien bewijzen dat de zakenman ook na de aanval met gifgas doorging met het leveren van chemische stoffen aan de dictator van Irak.

Vóór de aanval op Halabja, zo hield Van A. gisteren vol, meende hij dat de chemische stoffen werden gebruikt in de textielindustrie, in het bijzonder als kleurstof. Maar diverse getuigen, onder wie een van zijn Japanse zakenrelaties, hebben verklaard dat Van A. wel degelijk wist dat die chemische stoffen vrij gemakkelijk konden worden omgezet in gifgassen. Op die beschuldigingen wilde Van A. voor de rechtbank niet reageren.

Het openbaar ministerie verdenkt Van Anraat van medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden en volkenmoord. Hij zou sinds 1984 al bepaalde grondstoffen voor onder meer mosterdgas en zenuwgas aan Saddam Hussein hebben geleverd. Door aanvallen met deze chemische stoffen door het toenmalige Irakese bewind in de loopgracenoorlog met Iran zijn vele duizenden mensen om het leven gekomen.

Aan het begin van de rechtszaak vroegen de advocaten van Van A. de vervolging van de zakenman te staken. Volgens de raadslieden is de Haagse rechtbank in Den Haag niet bevoegd hun cliënt te berechten, omdat de hoofdverdachten, onder wie Saddam Hussein, in Irak vastzitten en daar voor de rechter komen. Zij zijn van oordeel dat ,,medeverdachte'' Van A. niet in dezelfde zaak door een andere rechter kan worden berecht.

De rechtbank zag echter geen reden de rechtszaak niet te laten doorgaan. De rechtbank meent dat de Nederlandse justitie hiertoe wel degelijk bevoegd, het internationale karakter van het misdrijf maakt dat niet anders.