Haags gedoe?

Bliksemsnel is dat gegaan, dacht ik een kleine tien jaar geleden wel eens, na een correspondentschap van zeven jaar in Duitsland teruggekeerd op de Haagse redactie van deze krant, waar ik vóór 1989 al een kleine twintig jaar had gewerkt. Stevig veranderd bleken inmiddels de sfeer en de toon in nogal wat redactielokalen, in de persbuffetten van de Tweede Kamer en bij briefings en persconferenties. Want niet alleen de ontzuilde en ontvoogde kiezer was op drift geraakt.

Nee, het cynisme en de achterdocht aangaande het karakter van het politieke bedrijf, voordien vooral te horen in de kapperswinkel en de sportkantine, leken nu ook hun weg naar delen van de Haagse journalistiek te hebben gevonden. Waarmee vertrouwde antiparlementaire motto's van de kapsalon allemaal zakkenvullers, baantjesjagers en onbenullen, daar in Den Haag ook in vele media een zekere gangbaarheid hadden verworven. Al werd daarover natuurlijk behoedzamer bevonden. Namelijk met vertogen over ondoorzichtigheid, grijze compromissen, parlementaire rituelen, taai jargon, politieke opzetjes. En natuurlijk hadden het beeld en de soundbite als hapklare brok het, met steun van alle politici, voor de camera's en microfoons allang gewonnen van het taaie wetgevingswerk in 's lands vergaderzaal.

Dat parlementaire politiek in een traditioneel op consensus gerichte veelpartijenstaat per definitie iets onspectaculairs, iets grijzigs heeft en het dus vaker van uitleg dan van snelle beelden moet hebben deed daaraan niet af. Maar het begon wel te wringen, dat verschil in tempo tussen de eisen van wetgeving en de eisen van politiek als talkshow om de zappende kiezer vast te houden. Temeer omdat veruit de meeste kiezers voor hun informatie intussen nu eenmaal liever kort kijken dan lang lezen dat is niet anders.

Tien jaar later, drie jaar na de versneller die Fortuyn was, vandaag dus, mag er van een nieuwe, verdergaande ontwikkeling worden gesproken. Vandaag kent het Binnenhof volksvertegenwoordigers en ook ministers die de kiezers hopen te plezieren door hun werk zelf als `Haags gedoe', of erger, te kwalificeren. De Volkskrant bracht daarover Achtergrond Haagse kaasstolp zaterdag een treffende inventarisatie.

Het stuk levert een raar tableau op van politici die hun eigen of andermans werk bagatelliseren of zelfs verdacht maken, en daarmee ook de instituties (parlement en regering) waarbinnen zij dat werk doen. Hier en daar lijken zij verwant aan de slagerspatroon die, terwijl hij de worst inpakt, pleit voor het vegetarisme. Nu, daar gelooft een klant dus niets van. Of, zoals Bas Heijne schreef, doelend op de term `Haags gedoetje' uit de mond van fractieleider Van Aartsen van de VVD: ,,Je moet de burger wel erg onderschatten als je denkt dat je daarmee weg komt.'' Wat te denken ook van de nieuwe politieke profeet Leers, die voordat hij burgemeester van Maastricht werd twaalf jaar TweedeKamerlid (CDA) was, en die nu per posterieure analyse roept: ,,De Haagse machine wast alles op 90 graden, met bleekmiddel. Wat er kleurrijk in gaat, komt er grijs uit.''

Wat een loyale man, denk je dan, wat jammer dat hij daar vroeger niet op gekomen is. Tweede-Kamervoorzitter Weisglas typeerde zulke zelfkritiek als `nestbevuiling', een akelig woord, maar deze keer met recht gebruikt. Weisglas heeft ook gelijk wanneer hij zegt dat kiezers helemaal niet willen dat volksvertegenwoordigers hun eigen werk afbreken.

Integendeel, zij willen dat parlementariërs hun werk goed doen en dat werk zo nodig verdedigen. Zoals zij in meerderheid waarschijnlijk liever in vertrouwen goed bestuurd worden dan almaar te worden uitgenodigd om nu eens de premier of de burgemeester te kiezen, dan weer de volksvertegenwoordiging en de regering per referendum te corrigeren. Wie dat zo ziet, is volgens de meeste media een conservatief of ten minste qua staatkundige inrichting een voorstander van iets verwerpelijks als handhaving van de status quo.

Verwerpelijk? Dat is nog maar de vraag. Een vraag trouwens die mede raakt aan de rol die de media in het publieke en politieke debat spelen. Want waarover gaan bijvoorbeeld referenda eigenlijk? Nemen we het eerder dit jaar gehouden, negatief geëindigde referendum over het Europese grondwettelijke verdrag. Dat verdrag werd door de Tweede Kamer, in meerderheid, en door de regering aanbevolen.

Die omstandigheid bracht mee dat de kiezers, ongeacht het eigenlijk onderwerp van de bevraging, een kans kregen om hun ongenoegen over `de Haagse politiek' massaal aan het juiste adres, namelijk aan de Kamer en (vooral) de regering, te laten horen. Zo werd dat referendum in Nederland misschien wel vooral een anti-Balkenende-demonstratie. Een demonstratie dus tegen een kabinet dat, ook door eigen toedoen natuurlijk, niet op een gunstig of zelfs maar genuanceerd beeld in de media mag rekenen. Je leest aanhoudend beschouwingen over de vraag hoe het in Nederland nu verder moet met Europa. Wat opvalt is dat in zulke beschouwingen zo weinig aandacht wordt gegeven aan dat anti-Balkenende-motief.

J.M. Bik is medewerker van NRC Handelsblad.