Gevoel voor liefde ligt al vroeg vast

Bij kinderen die in het eerste levensjaar ernstig verwaarloosd zijn, functioneert het hormoonsysteem dat verantwoordelijk is voor sociale binding ook jaren later nog afwijkend. Dit blijkt uit onderzoek bij Russische en Roemeense weeskinderen.

Het tragische lot van als baby ernstig verwaarloosde weeskinderen bood de mogelijkheid een fundamentele wetenschappelijke vraag te beantwoorden, schrijven Amerikaanse onderzoekers in een gisteren online gepubliceerd artikel in de Proceedings of the National Academy of Sciences. Het gaat om de vraag of het vermogen tot emotionele intimiteit na de geboorte `vanzelf' ontstaat, of dat het een leereffect is van de koesterende omgeving waarin baby's normaal gesproken opgroeien. De uitkomst van het onderzoek: het is een leereffect.

Amerikaanse onderzoekers onderzochten achttien zwaar verwaarloosde Russische en Roemeense weeskinderen die nu in pleeggezinnen in de Amerikaanse staat Wisconsin leven. De kinderen kwamen uit weeshuizen waarvan de beelden de wereld over gingen na de val van het regime van de Roemeense dictator Ceauşescu in december 1989.

Ze vergeleken het vermogen tot sociale binding en emotioneel contact van die verwaarloosde adoptiekinderen met 21 biologisch eigen kinderen in vergelijkbare Amerikaanse gezinnen. In een experiment maten ze de productie van de hersenstofjes (neuropeptiden, hormonen) vasopressine en oxytocine. Die is bij alle zoogdieren een maat voor de sociale binding tussen kind en verzorger. De stofjes veroorzaken een gevoel van welbehagen en ontspanning en induceren sociaal gedrag.

In het experiment speelden de kinderen een interactief computerspelletje in de nabijheid van hun eigen (pleeg)moeder, of van een vreemde vrouw. Tot de taken die uit het spelletje voortvloeiden hoorden het tellen van elkaars vingers, in elkaars oor fluisteren, klopjes op het hoofd geven en kietelen.

De niveaus aan vasopressine en oxytocine werd bij de kinderen gemeten in de urine die ze na het experiment produceerden. Voor het experiment begon, hadden zowel de biologische als de adoptiekinderen ongeveer gelijke oxytocineniveaus. Na de spelinteractie tussen (pleeg)moeder en kind hadden de biologische kinderen een bijna tweemaal zo hoog oxytocinegehalte als de voorheen verwaarloosde adoptiekinderen. Op de interactie met de `vreemde vrouw' reageerden beide groepen kinderen hetzelfde: hun oxytocine bleef onveranderd laag. Bekend is dat bij prettig sociaal contact het oxytocineniveau in het bloed stijgt. Dat gebeurt bijvoorbeeld tijdens borstvoeding, zowel bij mensen als bij andere zoogdieren. En ook bij volwassenen tijdens een ontspannende massage.

Het gehalte aan het neuropeptide vasopressine verschilde voor het experiment wel. De verwaarloosde kinderen hadden gemiddeld een veel lager niveau van dat hormoon. Door de hersenen geproduceerd vasopressine speelt een rol bij het herkennen van vertrouwde personen, wat belangrijk is voor sociale binding. De voor mensen normale productie van die twee neuropeptiden oxytecine en vasopressine ontstaat in wisselwerking tussen pasgeborene en verzorger, is de conclusie van het nu gepubliceerde onderzoek.