Geef onze koningin wat Engelse trekjes

Voor wie zo nodig de monarchie wil hervormen, is er een uitweg: niet zozeer het Zweedse model als de Britse praktijk is interessant, meent Irène Diependaal.

Terwijl koningin Beatrix bezig is met de afronding van de festiviteiten rond haar zilveren jubileum, is de discussie over de toekomst van het koningschap alweer op gang gekomen. In 2000 werd de discussie voorlopig beëindigd met de Notitie Koningschap. D66 heeft inmiddels aangegeven daar geen genoegen mee te nemen. Ook tijdens een wetenschappelijk congres, georganiseerd door de verenigde universiteiten alsmede het Nationaal Comité Zilveren Regeringsjubileum en gegrondvest op de Notitie Koningschap, stonden `moderniseringsvragen' centraal. Vaak wordt naar het `Zweedse model' verwezen of wordt de vraag gesteld of de koning(in) lid mag blijven van de regering en de koninklijke rechten om ,,geraadpleegd te worden, aan te moedigen en te waarschuwen'' mag behouden.

Ondanks alle discussie en gevloeide inkt heeft niemand zich echter afgevraagd of alle feiten in de Notitie Koningschap wel kloppen. En is Zweden wel een zuiver ceremoniële en symbolische monarchie?

Historisch onderzoek zet vraagtekens bij een dragend deel van de Notitie Koningschap. De Notitie stelde (terecht) dat sinds 1983 de Grondwet nadrukkelijk bepaalt dat `de regering' wordt gevormd door koning en ministers. De koning heeft echter geen zelfstandige staatsrechtelijke bevoegdheid, omdat volgens dezelfde Grondwet de koning onschendbaar is en ministers verantwoordelijk zijn. Vervolgens kwam een staatsrechtelijk novum: volgens de Notitie is de koningin zich bewust van deze beperking en laat zij zich leiden door de aan de Britse staatsrechtsgeleerde Walter Bagehot ontleende rechten om geraadpleegd te worden, aan te moedigen en te waarschuwen.

De Notitie Koningschap volgde met dit novum een incorrect spoor dat al lang door historici, journalisten en politici wordt gevolgd: de mythe dat de 19de-eeuwse journalist Bagehot de nieuwe `spelregels' op schrift had gesteld, nadat de Britse koning van politieke macht was ontdaan; in plaats van een `fundament' was het koningschap een `ornament' geworden.

Na 2000 was het hek van de dam: politici en journalisten namen koningin Juliana alsnog de maat of zij zich wel aan de `Bagehot-rechten' had gehouden en de Winkler Prins Encyclopedie van het Koninklijk Huis stelde dit jaar doodleuk dat Wilhelmina waarschijnlijk de eerste vorstin is die is grootgebracht in de traditie van Bagehot.

Helaas, historisch onderzoek heeft aangetoond dat Walter Bagehot in 1867 helemaal niet de feitelijke praktijk van koningin Victoria (1837-1901) beschreef, maar een norm formuleerde die vanaf 1910 de praktijk gedeeltelijk ging dekken. Negentiende-eeuwse Nederlandse staatsrechtsgeleerden en politici lieten zich evenmin door Bagehot inspireren. De jonge Wilhelmina werd juist opgeleid, opdat zij een fundament in het staatsbestel zou vormen. De koningin werd geacht een open oog te hebben voor de veranderingen in de samenleving; zij diende open te staan voor de wensen en behoeften van het volk. Opgedane overtuigingen moest zij vervolgens op gefundeerde wijze terugkoppelen naar de ministers. Haar `rechten' gingen dan ook verder dan het Bagehot-dictum: ,,De Kroon moet soms Hare Ministers aansporen en aandrijven, soms tegenhouden.''

Waar het vetorecht in Groot-Brittannië al sinds 1707 een ongebruikt prerogatief is, maakte Wilhelmina regelmatig gebruik van haar recht tot `tegenhouden'. Ook haar dochter Juliana worden incidenten toegeschreven waarbij zij het vetorecht gebruikte. Geruchten en onvrede hierover in de jaren '60 leidden (mede) tot de instelling van de Staatscommissie Cals-Donner. Het was deze staatscommissie die republikeinse geluiden de mond snoerde met verwijzing naar Bagehots rechten en bovendien de bepaling ontwierp: ,,de regering wordt gevormd door de Koning en de ministers''.

Deze grondwetsbepaling gaat uit van een nevengeschiktheid, terwijl tot 1983 de ministers (formeel) nog ondergeschikt aan de koning waren.

De historische reconstructie toont wel een uitweg voor monarchiehervormers: niet zozeer het Zweedse model als wel de Britse praktijk is interessant. Ondanks een verregaande grondwetsherziening (1974) is de Zweedse koning namelijk helemaal geen `lintenknipper' geworden. Hij is een adviseur ,,met speciale taken'' die uitgebreid op de hoogte wordt gehouden van staatszaken. Als voorzitter van de raad voor de buitenlandse betrekkingen oefent Carl XVI Gustaf grote invloed uit op het internationale beleid. Maar juist omdat de koning niet langer onder ministeriële verantwoordelijkheid staat, is hij in de praktijk een ongeleid projectiel gebleken: hij doet publieke uitspraken waar zijn ministers niet altijd blij mee zijn.

De Britse koningin Elizabeth II functioneert daarentegen al meer dan vijftig jaar uitstekend. Haar kinderen hebben chaos aangericht met hun huwelijksperikelen, maar het politieke gezag van Elizabeth zelf is groot. De plichtsgetrouwe koningin bestudeert intensief de staatsstukken die dagelijks in rode koffertjes worden aangevoerd. Al haar (vroegere) Prime Ministers zijn zeer complimenteus over de wijze waarop Elizabeth hun tot klankboord dient en Groot-Brittannië in binnen- en buitenland vertegenwoordigt.

Koningin Beatrix heeft dit jaar aangegeven dat zij nooit een handtekening zal weigeren, maar eerst nagaat of alle procedures goed doorlopen zijn. Concreet betekent dit dat, politiek gezien, de Nederlandse monarchie – met enige vertraging – het Britse voorbeeld aan het volgen is.

De interpretatie van Bagehot was incorrect, maar de Notitie Koningschap heeft verder een juiste koers aangegeven. Het succesvolle Britse model is waarschijnlijk een beter voorbeeld dan de Zweedse monarchie.

Irène Diependaal is historicus en bestuurskundige. Dit artikel is een bewerking van een een publicatie in het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2005, dat vandaag is gepresenteerd.