Een kustlijn vol energiecentrales

Het ene na het andere energiebedrijf kondigt aan nieuwe centrales te gaan bouwen. Komen ze er ook allemaal? ,,Ze bakenen alleen hun terrein af met een plasje.''

In april was het energiebedrijf Eneco. Twee maanden later concurrent Delta. Vervolgens Nuon. En gisteren volgde Electrabel. Allemaal kondigden ze aan een nieuwe, grote elektriciteitscentrale te gaan bouwen in Nederland. Electrabel zelfs drie. Krijgt Nederland de komende jaren een overschot aan elektriciteit? En gaat door het enorme aanbod de prijs van stroom wellicht omlaag?

,,Ze zijn heus niet gek'', zegt energiedeskundige Arnoud van der Slot van consultantsbureau Roland Berger. De bedrijven gaan volgens hem niet allemaal tegelijkertijd nieuwe centrales bouwen. De overcapaciteit en lage stroomprijs die daarvan het gevolg zijn, zouden hen alleen maar schaden.

De bedrijven spelen een spel waarbij ze meerdere ballen in de lucht moeten houden, meent Van der Slot. Zo zitten sommige met centrales die ouder worden en aan vervanging toe zijn. Nuon en Electrabel bijvoorbeeld. De ene, grote centrale die Nuon wil bouwen, vervangt dan ook zes bestaande, die allemaal het einde van hun levensduur naderen. En van de drie nieuwe centrales die Electrabel gisteren heeft aangekondigd, komen er twee in de plaats van oude centrales. Zo moet de komende twintig jaar zo'n 30 procent van alle Nederlandse centrales worden vervangen om alleen al aan de huidige vraag naar stroom te blijven voldoen. Of het aanbod dus hard gaat groeien, is nog maar de vraag.

Voor sommige bedrijven speelt ook een rol dat ze meer greep op hun stroomaanbod willen krijgen. Eneco verkoopt al jaren elektriciteit, maar bezit nog geen eigen centrale. Het koopt zijn stroom in bij derden. Dit jaar heeft het daarvoor nog twee grote 15-jaarscontracten afgesloten, onder meer met Nuon. Maar het bedrijf wil een eigen centrale. Het zou het afhankelijk zijn van andere concerns verminderen en meer speelruimte geven op de markt. Iets dergelijks geldt voor het bedrijf Delta.

Daarnaast doen energiebedrijven aan window dressing. Ze lanceren mooie projecten en laten daarmee zien dat ze het geld en de lef hebben om grote investeringen te doen. Dat wekt vertrouwen. Bij klanten, bij investeerders.

Zo speelt elk bedrijf zijn eigen spel. Dat ze nu een voor een aankondigen centrales te willen gaan bouwen, wil nog niet zeggen dat die er allemaal straks ook komen. De bedrijven zijn enkel bezig ,,paaltjes te slaan'', zegt Van der Slot. ,,Als een bedrijf zegt ergens een centrale te gaan bouwen, ontneemt hij een ander het argument om zoiets te doen. Ze bakenen hun terrein af met een plasje.''

Toch blijkt uit al die aankondigingen een aantal tendensen. Het voordeel van omvang, bijvoorbeeld. Zo laten Nuon en Eneco hun investering afhangen van het al dan niet doorgaan van de `splitsingswet' van minister Brinkhorst (Economische Zaken, D66). Die stelt dat energiebedrijven zich moeten opsplitsen in een transport- en een handelstak. Wordt de wet van kracht, dan zeggen Nuon en Eneco af te zien van de geplande investering, omdat ze daartoe eenvoudigweg de armslag niet meer hebben.

Voor het Belgische Electrabel, de grootste stroomleverancier in de Benelux, speelt die splitsing geen rol. ,,Als de markt zijn werk goed doet, zullen partijen op een gegeven moment echt wel gaan investeren. De vraag naar elektriciteit blijft groeien'', zegt een woordvoerder van het bedrijf.

Een tweede tendens: centrales worden almaar groter. De bestaande hebben doorgaans een vermogen van 200 tot 600 megawatt. Delta, Eneco en Electrabel hebben allemaal plannen voor een centrale van 800 megawatt, Nuon zelfs voor een van 1.200 megawatt. Grotere centrales hebben over het algemeen hogere rendementen – ze weten een groter deel van de grondstof (kolen, gas of biomassa) om te zetten in elektriciteit. Kortom, een betere opbrengst per kilo kolen of kubieke meter gas. En dus een concurrentievoordeel.

Derde tendens: opvallend veel centrales zijn gepland aan de kust. Die van Delta komt in Vlissingen-Oost. Eneco wil de zijne bouwen op de Maasvlakte, waar Electrabel er ook een gepland heeft. Nuon heeft zijn locatie nog niet gekozen, maar weet al wel dat het ergens aan de kust is. Waarom? Daar is allereerst voldoende koelwater aanwezig. Bij rivieren, waaraan nu veel centrales staan, kan dat problemen opleveren. Dat bleek tijdens de hete, droge zomer van 2003. Rivieren stonden laag, het water was verhoudingsgewijs warm. Komt de temperatuur ervan boven de 23 graden Celsius uit, dan is het niet meer als koelwater te gebruiken en valt de stroomproductie van de centrale terug. In 2003 was die situatie bijna bereikt.

Verder liggen in de buurt van de Maasvlakte en Vlissingen-Oost grote gasleidingen. En zowel Delta als Eneco wil zijn centrale laten draaien op gas. Er zijn ook plannen om in die buurt een of meerdere terminals te bouwen voor de opslag van vloeibaar gas dat per schip wordt aangevoerd.

De Maasvlakte is een belangrijke groeimarkt. Er zitten grootverbruikers van stroom, zoals petrochemische bedrijven, papierfabrieken en ijzergieterijen. En die willen graag uitbreiden. Daarnaast zijn er de kassen in het Westland, die steeds meer stroom vragen voor hun verlichting. Redenen genoeg om daar te willen zitten.

Laatste tendens: centrales worden schoner. Nuon wil in zijn centrale de grondstoffen niet verbranden, maar vergassen – wat een duurdere, maar wel milieuvriendelijkere technologie is. Electrabel wil in zijn kolen- en biomassa gestookte centrale op de Maasvlakte gaan experimenteren met de `afvang' en opslag van het broeikasgas CO2. Dit wordt gezien als een veelbelovende technologie om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.

Of dit werkelijkheid, of slechts schone schijn is, moet blijken.