Wiegen met Kar Kar bij ondergaande zon

Zaterdag was de afsluiting van het Crossing Border Festival. Het publiek kwam speciaal voor de Malinese artiesten Salif Keita en Boubacar Traoré.

Door de gangen van het Theater aan het Spui liep tussen de homogene massa van blanke dertigers een schuchtere Afrikaanse man van middelbare leeftijd met spijkerjack. Niemand lette op hem. Maar Boubacar Traoré, de Malinese blueszanger, zou later op de avond vriend en vijand in vervoering brengen.

Het leek erop dat Crossing Border zaterdag vooral de grenzen tussen westers en niet-westers wilde verkennen. Schrijver Khalid Boudou, van berberse komaf, kreeg bijvoorbeeld voor de programmering van zijn Streetcorner carte blanche. Hij trakteerde het publiek onder anderen op de parabels van de Irakese dichter Al Galidi (over een Spaanse stier: ,,de koeien in Spanje zijn mooier / want het zijn mijn koeien''), de berberse hiphop van Intersection en Boudou's eigen charmant nonchalante voordracht. Echt uitdagend werd het niet, maar de sfeer was goed.

Op de hoofdpodia in het theater aan het Spui waren de grootste publiekstrekkers van de avond te vinden, de Malinese artiesten Salif Keita en Boubacar `Kar Kar' Traoré. Veel mensen waren speciaal voor hen gekomen, maar een Afrikaans publiek had Crossing Border niet bereikt. Bij Salif Keita, die ironisch genoeg een albino is, waren twee donkere mensen in de zaal.

Keita speelde op het openingsconcert vooral de sterke composities van zijn recent verschenen akoestische cd M'bemba, waarmee hij na een lange afropopcarrière in de VS en Frankrijk terugkeert naar zijn muzikale wortels. De jazzy solo's van de traditionele instrumenten, Keita's krachtige stemgeluid en de uitzinnige bijdragen van de dansers konden niet verhinderen dat het massieve blok toeschouwers als aan de grond genageld bleef staan en slechts lichtjes met het hoofd knikte. Pas toen Keita vier nummers geheel akoestisch ten gehore had gebracht en er iemand het podium op sprong, leek de sfeer om te slaan en nodigde de zanger steeds meer mensen uit om naast hem te dansen tot de muzikale climax was bereikt.

Wie de kale gangen in het theater even wilde ontwijken, kon in `Hotel Bukowski' in miniatuurhuiskamers wegzakken in fauteuils. Omringd door asbakken, een fles Jack Daniels, ingevulde lottoformulieren en een pot bonen in tomatensaus kon met een koptelefoon op het hoofd worden geluisterd naar Charles Bukowski's gedichten, voorgelezen door de schrijver zelf. Zijn doorleefde en laconieke toon en de begeleidende muziek van Gerco Aerts ademden de sfeer van een doorrookte Tom Waits-bootleg.

Maar terug naar Afrika. Waar Salif Keita de rock & roll van West-Afrika liet horen, was Boubacar Traoré de brenger van de Mali-blues. In een intieme, nachtclubachtige setting werd `Kar Kars' stem alleen begeleid door zijn eigen gitaar en percussie op kalebas, waarmee ook een diepe bastoon gespeeld kan worden. Ondanks de minimale bezetting klonk zijn geluid – warme raspstem en hypnotiserende melodieën – even vol als dat van de complete band van Keita. Alleen had Traoré vanaf het eerste akkoord contact met de zaal. Nieuwkomers keken elkaar verrukt aan, oude bekenden glimlachten. Traoré bracht met zijn melancholieke muziek het gevoel teweeg bij hem op de veranda in Bamako in een schommelstoel te zitten, kijkend naar de ondergaande zon. Bij nummers met trage ritmes als Je chanterai pour toi kon je niet anders dan meedeinen, je ogen sluiten en je laten vervoeren naar hogere sferen.

Na een knutselende stemkunstenaar en een dichter in de centrale hal, speelde John Parish, die met PJ Harvey de plaat Dance Hall At Louse Point maakte, experimentele gitaarmuziek in mineur. Een minder deprimerende afsluiting van de avond was de uitbundige Latin Raï van Raï Experience in Khalid Boudou's Streetcorner. Maar de muziek van Kar Kar ging niet meer weg, die bleef nog uren naklinken.