Neptunusstraat 21, Delfzijl

Vorig jaar werden 19.313 woningen `aan de woningvoorraad onttrokken', de overgrote meerderheid door sloop. Vandaag deel twee van een serie waarin mensen vertellen over de sloop van hun woning.

,,Mam, je moet bij de sloop niet huilen hoor'', had haar dochter 's morgens aan de telefoon nog gezegd, maar Hanny Griep heeft genoeg gehuild. Bovendien ontbreekt op de geplande dag elk spoor van de shovel die hun huis moet wegvagen, er is alleen een man van het sloopbedrijf die met zijn koevoet de deur wel even wil openmaken. Hanny Griep vindt het goed zo, foto's van de sloop heeft ze al genoeg. Weliswaar niet die van hun eigen huis, maar wel van het rijtje identieke woningen dat er haaks op stond. Daarop zie je een gele shovel dwars door een buitenmuur rijden.

Hanny en haar man Jaap waren in 1961 niet de eerste bewoners van dit huis, maar veel scheelde dat niet, want de huizen stonden er toen pas vier jaar. Delfzijl boomde in die dagen: er was volop werk en de stad zou uitgroeien tot tachtigduizend inwoners. Om mensen naar het hoge noorden te trekken had `de soda' – zoals de Koninklijke Nederlandse Soda Industrie, de latere Akzo, werd genoemd – overal in Delfzijl woningen gereserveerd. De Grieps kwamen uit Amsterdam-Oost, van een noodwoning die Jaaps toenmalige werkgever voor hen geregeld had. Jaap: ,,Ons nieuwe huis had vier maanden leeggestaan toen wij aankwamen, Delfzijlers spraken daar schande van, want er heerste woningnood.''

Verder dan 33 duizend inwoners is Delfzijl nooit gekomen, dat hoogtepunt beleefde de stad in 1985 en sindsdien krimpt ze gestaag. De woningnood sloeg om in structurele leegstand en dus moesten er drieduizend huizen verdwijnen. De Sterrenbuurt is al bijna helemaal uitgewist, alleen de wegen en de bomen op de kale vlakte herinneren nog aan de bebouwing. En, nog heel even, dit rijtje aan de Neptunusstraat.

Drie jaar geleden overleed hun buurvrouw rechts, haar plaats werd niet meer opgevuld en successievelijk verdwenen ook de andere bewoners. Het laatste half jaar woonden Hanny en Jaap er alleen. Als ze op de camping zaten, controleerde de stadswacht tweemaal per week hun huis op inbraak. Jaap: ,,Belangrijke spullen stonden bij de kinderen, je foto's, je grammofoonplaten.'' Hanny: ,,De tv niet, daar heb je een verzekering voor.'' Jaap: ,,Dat zeg ik.''

Pas afgelopen najaar kregen ze van de woningcorporatie een woning aangeboden die ze accepteerden: een driekamerflat op achthoog, met uitzicht op zee. Jaap: ,,Wíj wilden hier niet weg, dus ik zei: `Jullie schikken ook mee in.' En in alle vriendschap is dat zo gegaan.''

Hanny had zich voorgenomen om na de verhuizing nooit meer een voet in het huis te zetten. ,,Als hij ging kijken of er nog post was, bleef ik buiten wachten.'' Maar ze ging toch een keer mee en inmiddels kan ze met droge ogen kijken naar de stortbak die in de kamer ligt en de weggesloopte leidingen. Alleen de roetsporen van een binnenbrandje doen pijn. Ze laat hun oude slaapkamer zien, een ruimte van twee bij twee meter. ,,Voor hun huiswerk hadden de kinderen allebei een grote kamer nodig, dus hebben wij ons bed hier gezet. Alleen kon de deur toen niet meer open, die hebben we vervangen door een harmonicadeur.'' Langzaam vouwt ze de bruine deur nog eens open en dicht, terwijl Jaap een ansichtkaart van de muur haalt die hun dochter ooit stuurde, een foto van de hoek Prinsengracht/Brouwersgracht.

Een jaar of wat geleden hebben ze in Amsterdam een `nostalgische tour' gemaakt. De huizen waar ze geboren zijn, de adressen waar ze later gewoond hebben, hun scholen, alles stond er nog. Zelfs de noodwoning vanwaar ze naar Delfzijl trokken is er nog. Hanny: ,,Onze kinderen hebben heel hun jeugd maar één huis gehad, die kunnen straks nergens naar terug. Daar hebben ze nog niks over gezegd.''