Markt voor de media

Debatten over de mediabegroting in de Tweede Kamer plegen zich te beperken tot het omroepbestel – de vraag hoe de tot voor kort schaarse ruimte in de ether verkaveld moet worden tussen ooit verzuilde omroepverenigingen. Daarbij staan traditionele waarden als pluriformiteit en keuzevrijheid voorop: het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op informatie. Technische ontwikkelingen en maatschappelijke veranderingen dwingen er toe om het onderwerp breder te benaderen. Het aantal communicatiekanalen is explosief toegenomen. Zelden in de geschiedenis beschikten burgers over meer informatie, die in toenemende mate door burgers zelf, zonder overheidssteun, wordt georganiseerd en toegankelijk gemaakt.

In het mediadebat dient derhalve niet langer alleen te worden gesproken over de vraag hoeveel publiek geld aan de omroep mag worden besteed en of er twee, drie of vier netten nodig zijn. Maar wel hoe, waar en door wie er informatie gegeven mag worden en wie er de gelegenheid krijgen die te distribueren en te exploiteren. Die kwestie is allang niet meer beperkt tot het medium zelf, zoals kranten, internet, televisie of radio. De burger gebruikt ze door elkaar, naast elkaar en vaak ook gelijktijdig. Alle redacties (publiek en commercieel) ontwikkelen producten voor nieuwe platforms: websites, vaak met beeld en geluid, digitale nieuwsbrieven, tijdschriften, televisieprogramma`s, radiouitzendingen. Alle mediabedrijven (publiek en commercieel) bereiden zich op die toekomst voor. De huidige marktordening, met een strikte scheiding tussen audiovisuele media enerzijds en printmedia anderzijds, met allerlei onderlinge beperkingen, is achterhaald.

Ook de politieke argumenten voor die scheiding hebben aan gewicht ingeboet. Het valt niet vol te houden dat particuliere mediabedrijven moeten worden aangevuld met gesubsidieerde media om waarden als pluriformiteit of het recht op informatie te garanderen. Het dagbladbedrijf verspreidt dagelijks miljoenen kranten, waarvan sinds een paar jaar honderdduizenden zelfs gratis. Honderdduizenden bezoeken dagelijks kosteloos nieuwssites van kranten. De vrees voor politieke machtsconcentratie bij uitgevers, door staatssecretaris Van der Laan omschreven als `opiniemacht' is op zichzelf plausibel. Maar dat wantrouwen zou niet alleen uitgevers moeten gelden, maar ook omroepdirecteuren, internetondernemers en kabeldirecteuren. Iedereen met distributiemacht, invloed op inhoud, belang bij omzet, oplage, kijkcijfers, aansluitingen of ledental, draagt maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat de overheid een regulerende rol speelt, waardoor niet alle touwtjes in één hand terecht komen, is terecht.

Maar aan de logica van het systeem mag wel eens gesleuteld worden. Als de markt een voldoende pluriform en onafhankelijk informatieaanbod weet te exploiteren, dan is het onjuist om met belastinggeld op diezelfde markt een publiek bestel in te richten. Waarom de overheid miljoenen in gratis Hilversumse media-websites investeert is vreemd. Waarom een buitenlandse uitgever (National Geographic) hier wel een televisiekanaal mag beginnen en een Nederlandse uitgever niet, is ook niet goed te begrijpen. Waarom een televisiebedrijf hier wel een krant of tijdschrift mag beginnen, maar een krantenuitgever geen televisiebedrijf, is een raadsel. Intussen mag een kabelbedrijf (zoals Chello) wel een televisiestation kopen (AT5). En iedereen mag een krantenuitgever kopen; deze krant kwam in 2004 in Britse handen. Krantenuitgevers dringen dan ook terecht op meer armslag aan, althans op marktverhoudingen zonder speciaal op hen toegesneden belemmeringen. Dat kan ze niet ontzegd worden.