Laat bestaande historische musea bloeien

De discussie over de wenselijkheid van een nationaal historisch museum is niet gericht op een redelijke afweging van argumenten, maar op het verdedigen van belangen door overdondering en `make believe', meent Jan Vaessen.

De afgelopen jaren heb ik soms heimelijk verlangd naar mijn pensioen, niet omdat me de lust of de energie zouden ontbreken voor het werk in het Openluchtmuseum, maar om eindelijk eens te kunnen zeggen wat ik werkelijk vind, zonder bezorgd te hoeven zijn de belangen van het eigen museum te schaden. Want zo hangt de vlag er bij in museaal Nederland.

Zodra ministers, staatssecretarissen, fondsbestuurders, invloedrijke directeuren zich aan bepaalde plannen hebben gecommitteerd, houden we – in het openbaar – wijselijk onze mond, ook als we die plannen onverantwoord vinden. Ook in deze bijdrage zal ik goed op mijn woorden passen, maar er zijn grenzen aan het zwijgen.

In het artikel `Als het maar niet stoffig is' van Mark Duursma (NRC Handelsblad, 31 oktober) wordt minister Pechtold (Bestuurlijke Vernieuwing) sprekend opgevoerd. Naar aanleiding van de prille plannen voor een Centrum voor Geschiedenis en Democratie merkt Pechtold op dat het ,,in elk geval geen museum'' moet worden. ,,Geen statische exposities waar je het bureau van Drees kunt bewonderen. Of de geschriften van Thorbecke.''

Deze uitlatingen getuigen van een gebrekkig inzicht in waar het in musea om gaat. Ze zijn bovendien hoogst frustrerend voor al diegenen in de historische musea die dag in dag uit bezig zijn de zorg voor erfgoed (want daar gaat het óók om) te combineren met het ontwikkelen van een interessant, aantrekkelijk – en soms opmerkelijk innovatief – aanbod voor hun bezoekers. En met succes: Er is geen museumsector in Nederland die, tegen relatief lage kosten, een groter en breder publiek bereikt. Neem het Amsterdams Historisch Museum. Het is geen Stedelijk, dat geef ik toe – en het gaat er nou eens niet om de kunst – maar het is in museaal en cultuurpolitiek opzicht zeker zo interessant.

De afgelopen weken heb ik kunnen vaststellen dat collega's zich vooral ergeren aan het feit dat dat achterhaalde – en in veel gevallen ook zeer onbillijke – beeld van historische musea van de stoffige rommelzolder wordt gehaald, met de klaarblijkelijke bedoeling een eigen plan te legitimeren dat niet alleen subjectief, maar ook objectief bedreigend is voor de museale sector. Een plan waarvoor, ik weet het zeker, een zeer gering draagvlak bestaat, om de eenvoudige reden dat het even kostbaar als overbodig is.

In het hierboven aangehaalde artikel kondigt Chris Groeneveld, zakelijk directeur van de Stichting Anno (bedoeld om de belangstelling voor de geschiedenis te vergroten), alvast aan dat dat nieuwe instituut niet op een koopje kan. De kosten zullen zeker in de tientallen miljoenen euro's lopen. Let wel, hij bedoelt per jaar.

Waar komt het onzalige idee vandaan dat kwaliteit en relevantie alleen tegen zo'n exorbitante prijs kunnen worden gerealiseerd? Waar komt de misvatting vandaan dat alleen wat duur is deugt? En waarom willen (sommige) bestuurders per se grote werken tot stand brengen, terwijl het, niet alleen in bijbelse zin, toch eigenlijk om goede werken zou moeten gaan? Om de realisatie van programma's waaraan echt maatschappelijk behoefte bestaat en niet om de oprichting van nieuwe prestigieuze gebouwen waar, als je goed kijkt, alleen initiatiefnemers, ontwikkelaars, bestuurders (en belanghebbenden) echt belang aan toekennen.

En fundamenteler: wanneer breekt het inzicht door dat je cultuur nu juist niet vernieuwt door voor elk nieuw probleem een nieuw instituut op te richten, bij voorkeur in een `sexy' stralend nieuw gebouw? Is het zo moeilijk in te zien dat dat op de keper beschouwd nu juist a-creatief – en gemakzuchtig – is? Valt het werkelijk zo moeilijk te begrijpen dat je, in een samenleving die in cultureel opzicht zo sterk verandert als de onze, nu juist voluit zou moeten inzetten op vernieuwing van bestaande instellingen? In plaats van, bij wijze van self-fulfilling prophecy, in het bestaande bestel de facto alles bij het oude te laten? Waarom opnieuw zo'n heilloze vlucht naar voren, terwijl er gewoon werk aan de winkel is?

Ik zou veel manieren weten om de enorme budgetten die voor de stichting, de exploitatie en het publieksbereik van zo'n nieuw instituut noodzakelijk zijn, beter te besteden. Efficiënter, oneindig veel effectiever en cultuurpolitiek ook beter te verantwoorden.

Het is inderdaad van wezenlijk belang extra inspanningen te verrichten om de kennis van en het respect voor de Nederlandse geschiedenis te bevorderen. Daarbij dienen we ons, met inzet van een grote verscheidenheid aan middelen, op alle inwoners van ons land te richten – oud en jong, gevestigden en nieuwkomers – al was het maar omdat het onderwijs op dit gebied decennialang schromelijk verwaarloosd is. Wat geen nut heeft, heeft geen zin; van dat tragische misverstand plukken we nu de wrange vruchten.

Als verantwoordelijk bewindspersoon zou ik alle middelen die ik bij elkaar zou kunnen schrapen, investeren in de ontwikkeling van een grote variëteit van doelgroepgerichte massamediale en multimediale producties, in ondersteuning van vernieuwende projecten in het onderwijs en zeker ook in de ondersteuning van geïnspireerde – tot dusverre maar mondjesmaat gehonoreerde – plannen van een aantal goede historische musea.

Ik zou inzetten op innovatieve programmering, op echte vernieuwing en vooral op een zo groot en breed mogelijk publieksbereik. En ik zou alle ambities om een prachtig gebouw op te richten – ambities die ik maar al te goed herken! – laten varen. Cultuur is geen goed of goedje waar je meer of minder van kunt hebben; het bestaan van meer voorzieningen betekent niet meer cultuur. Cultuur is bouwen, niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats aan versteende voorzieningen, maar eerst en vooral aan het samenleven in Nederland.

Dr. Jan Vaessen is algemeen directeur van het Nederlands Openluchtmuseum.