Wat wij allemaal niet weten: acht misvattingen over ENERGIE

Nu de olieprijs zo hoog is, heeft iedereen het weer over het inperken van onze afhankelijkheid van energie. Maar een blik op de cijfers wijst uit dat dat mooie doel onhaalbaar is. Ook zuinig energieverbruik is het antwoord niet. Hoe eerder wij ons dat realiseren, des te eerder kunnen wij het hebben over echte oplossingen voor de energiecrisis.

Het Westen kan een einde maken aan zijn afhankelijkheid van geïmporteerde aardolie

Dat maken wij niet meer mee. Met de roep om het inperken van onze afhankelijkheid van energie wordt doorgaans bedoeld dat wij niet langer afhankelijk zouden moeten zijn van geïmporteerde aardolie. Deze energie-zelfvoorziening, zo horen wij, zou een einde maken aan gevaarlijke onderbrekingen in de aanvoer, de complicaties in het Midden-Oosten verminderen, corrupte oliestaten dwingen te hervormen, en de inkomstenbronnen van terroristen droogleggen. Als uiteindelijk streven is dit heel fraai, maar praktisch gezien is energie-zelfvoorziening absurd. De hoeveelheid aardolie die de Verenigde Staten en andere landen invoeren is zo gigantisch dat in de komende decennia niet één geavanceerde, geïndustrialiseerde economie het zonder zal kunnen stellen.

De trend is duidelijk: de Amerikanen worden niet minder maar meer afhankelijk van energie. In 1973 voerden de Verenigde Staten 35 procent van hun olie in; in 2003 was dat aandeel sterk gestegen, tot 55 procent. In 2004 verbruikten de VS gemiddeld 20,4 miljoen vaten olie per dag, waarvan meer dan de helft was ingevoerd. Om een einde te maken aan de afhankelijkheid van ingevoerde aardolie zou jaarlijks voor ongeveer vier miljard vaten olie een vervangende bron moeten worden gevonden. Als er geen grote nieuwe aardolievoorraden worden ontdekt, zouden de VS zonder olie-invoer in vier à vijf jaar door hun oliereserves heen raken. Nog sterker: de Amerikaanse vraag zal in de komende twintig jaar naar schatting met 37 procent toenemen. Aan het einde van die periode zal naar alle waarschijnlijkheid 68 procent van de verbruikte olie worden ingevoerd.

Andere grote geïndustrialiseerde landen laten hetzelfde beeld zien. Japan verbruikte in 2004 gemiddeld 5,4 miljoen vaten per dag – bijna allemaal import. Duitsland importeert 93 procent van zijn dagelijks verbruik van 2,6 miljoen vaten. Frankrijk importeert bijna al zijn olie. Voor al deze landen is energie-zelfvoorziening een verre droom. En dus maakt men ons wijs dat windmolenparken een serieuze zaak zijn.

Minder buitenlandse olie betekent lagere prijzen

Mis. Olie is een mondiale grondstof, waarvan de prijs wordt bepaald door wereldwijde vraag en aanbod. Gebeurtenissen die vraag en aanbod in het ene land beïnvloeden, hebben gevolgen voor de prijzen in andere landen. In de nasleep van orkaan Katrina zijn de benzineprijzen in Europa omhooggeschoten doordat er Amerikaanse raffinaderijen beschadigd waren, terwijl die installaties toch nauwelijks leveren aan Europa. Zelfs al zouden de Verenigde Staten niet één vat olie invoeren uit het Midden-Oosten, dan nog zou de prijs die de Amerikanen aan de pomp betalen worden bepaald door wereldwijde vraag en aanbod. Wat men ook moge denken over het Amerikaanse of het Europese oliebeleid, alles wijst erop dat mondiaal de vraag – en de prijzen – zullen stijgen zolang China en India blijven groeien. In China, dat ongeveer de helft van zijn olie invoert, zal naar verwachting in 2025 het olieverbruik verdubbeld zijn, tot 14,2 miljoen vaten per dag. Het Indiase verbruik zal naar verwachting in 2020 zijn toegenomen van 1,4 naar 5 miljoen vaten per dag. Door de wereldwijde vraag zal de prijs van aardolie bijna overal ter wereld stijgen. Particuliere olieproducenten zullen hun olie op de binnenlandse markt nooit verkopen voor ook maar een cent minder dan zij er in het buitenland voor kunnen krijgen, en de prijs die een vat olie opbrengt zal afhangen van factoren waarover geen regering iets te zeggen heeft.

De Verenigde Staten moeten minder steenkool verstoken

Nee. Vele analisten menen dat de VS, gezien de bezorgdheid over de opwarming van de aarde en over het milieu, niet zoveel steenkool zouden moeten verstoken. Omdat de VS de technisch meest gevanceerde energiesector heeft, zo is de redenering, zou het als eerste dat steenkoolgebruik moeten opgeven. Maar zoals het vrijwel ondenkbaar is dat wij in de komende twintig jaar onafhankelijk zouden kunnen worden van buitenlandse olie, zo heeft het ook geen zin om de schijn op te houden dat de VS kunnen stoppen met steenkool te verbruiken. Belangrijker nog: waarom zouden de VS zo snel moeten afzien van een grondstof waarover zij in zo ruime mate beschikken?

Meer dan de helft van de elektriciteit die in 2004 in de Verenigde Staten is geproduceerd, kwam uit steenkool. Naar schatting zal de totale elektriciteitsverkoop in de VS per jaar gemiddeld stijgen met 1,9 procent, van 3.481 miljard kilowattuur in 2003 naar 5.220 miljard kilowattuur in 2025. Voordat je zelfs maar kunt beginnen te denken over vermindering van het Amerikaanse steenkoolverbruik, moet je eerst uitleggen hoe die groeiende energiebehoefte dán zal worden gedekt. In feite zal geen andere energiebron die kloof kunnen dichten. Wind- en zonnestroom maken thans nog geen 2 procent uit van de in de VS opgewekte elektriciteit, en stroom uit kernenergie slechts ongeveer 20 procent.

Beperking van het steenkoolverbruik plaatst bovendien de voorstanders van energie-zelfvoorziening voor een dilemma. Zeker, steenkool is een van de 'vuilere' brandstoffen. Maar met al zijn gebreken is steenkool toch een relatief goedkope bron van elektriciteit. (Het kost viermaal zoveel om een kilowatt stroom uit zonnecellen te halen als uit steenkool.) En het is er in overvloed: de VS bezitten in eigen land genoeg steenkool voor 250 jaar. Als de VS hun steenkoolverbruik zouden beperken, zouden ze bij hun huidige energiebehoefte nog meer aardolie moeten invoeren en dus nog meer afhankelijk worden van energie uit het buitenland.

We moeten geen stroom uit kernenergie opwekken

Wel. De zorgen over veiligheid, opslag van afval, en proliferatie van wapens zijn reëel, maar dat neemt niet weg dat stroom uit kernenergie een belangrijke bijdrage levert tot de diversificatie van de energievoorziening en de vermindering van de koolstofuitstoot. Stroom uit kernenergie brengt geen kooldioxide voort, en bijna 70 procent van de koolstofvrije stroom die in de Verenigde Staten wordt geproduceerd, komt uit kernenergie. Wie kernenergie wil beperken, moet andere schone brandstoffen vinden. Onlangs waarschuwde een Brits parlementair rapport dat de geplande sluiting van het merendeel van de kerncentrales van het land de doelstelling om uiterlijk in 2010 tien procent van de Britse elektriciteit uit duurzame bron te halen, zou ondermijnen. Op grond van deze analyse staan de kernenergiecentrales klaar voor een nieuwe bloei. Vorig jaar haalden zestien landen ten minste een kwart van hun elektriciteit uit kernenergie. China en Brazilië hebben plannen voor de bouw van wel negen nieuwe reactors. In negen landen zijn 24 nieuwe kernenergiecentrales in aanbouw, met het plan om er nog eens 40 op te bouwen. De laatste Amerikaanse kernenergiecentrale werd gebouwd in 1973 en voltooid in 1996. De verwachting is dat kernenergie in de VS in de komende twintig jaar met 9 procent zal groeien. Gezien de verwachte stijging van de vraag naar elektriciteit valt het gebruik van kernenergie, zomin als dat van steenkool, op korte termijn gewoonweg niet te vermijden. Bovendien geldt hierbij, net als bij de olie, dat zelfs als het mogelijk zou zijn om op een of andere manier het gebruik ervan in de VS te staken, het voor de rest van de wereld nog altijd een groeiende bron van energie zou zijn.

Zuinig energieverbruik is de oplossing

Vergeet het maar. Gezien de stijgende vraag naar energie betogen sommigen dat het beter zou zijn om te pleiten voor zuinig energiegebruik. Het is altijd goed om zuinig om te gaan met grondstoffen, maar door bezuinigen kunnen wij ons niet redden uit de energiesituatie waarin wij thans klem zitten.

Het benzineverbruik van de auto's van tegenwoordig is maar 60 procent van die uit 1972, nieuwe koelkasten verbruiken maar een derde van de energie, en er is thans 55 procent minder olie en gas nodig dan in 1973 om dezelfde hoeveelheid bbp (bruto binnenlands product) tot stand te brengen. Desalniettemin is in de Verenigde Staten het landelijke energieverbuik sinds 1973 met 30 procent gestegen. Die groei is veel lager dan die van de economie als geheel (126 procent), maar toch zeer substantieel. De consument is veel meer geïnteresseerd in het gemak van de artikelen en gadgets die energie verbruiken dan in beperking van het energieverbruik op zich. Zo laten maar weinig mensen hun beslissing om een televisie met plasmascherm te kopen, afhangen van het feit dat zo'n televisie wel tienmaal zoveel stroom verbruikt als een gewone. Ook kan met zuinigheid de vraag in groeiende economieën op geen enkele manier worden vertraagd. China had bijvoorbeeld in 1973 een bbp van 140 miljard dollar bij een verbruik van ongeveer één miljoen vaten olie per dag. In 2004 was het Chinese bbp spectaculair gestegen naar ongeveer 7,3 biljoen dollar, waarbij de vraag naar olie uitkwam op bijna 6,5 miljoen vaten per dag. In ruim dertig jaar heeft China de olie die het verstookt dus veel efficiënter leren benutten, maar die vooruitgang is door de behoeften van de economie tenietgedaan – en nog altijd roept het land om meer olie.

De consument is bereid meer te betalen voor groene energie

Laat maar eens zien. Energie is in de Verenigde Staten nog altijd een relatief goedkoop artikel, maar toch vonden maar weinig Amerikanen de energieprijzen van voor Katrina redelijk. Die houding is eigenaardig, want begin jaren tachtig gaf een doorsnee Amerikaans huishouden 8 à 9 procent van zijn inkomsten uit aan energie. Thans is dat maar 5 à 6 procent. En de olieprijzen zijn na Katrina weliswaar sterk gestegen, maar recordhoogtes hebben ze nog lang niet bereikt. Gecorrigeerd voor de inflatie was de prijs van een vat olie in januari 1981 meer dan 85 dollar. Om dezelfde economische uitwerking te hebben als de vroegere olieschokken zouden de prijzen van vandaag drie jaar lang op dit niveau moeten blijven.

De mensen willen goedkope energie en rekenen erop, en maar weinigen zouden werkelijk willen betalen voor schonere stroom. Meer dan de helft van de Amerikaanse consumenten heeft nu de mogelijkheid om elektriciteit te kopen uit duurzame energiebronnen, maar slechts één à twee procent maakt daar gebruik van. Minder dan één procent van de verkochte auto's zijn hybride; meer dan 25 procent zijn SUV's. Wel is het zo dat particuliere klanten in Europa meer geneigd lijken om meer te betalen voor groene stroom. (Naar verluidt heeft in Nederland 13 procent van de mensen gekozen voor groene stroom.) Maar dat komt hoofdzakelijk door de beschikbare natuurlijke hulpbronnen – zoals reusachtige waterkrachtcentrales – en door agressieve overheidssubsidies, waardoor zulke stroom veel betaalbaarder is. Ondanks dergelijke maatregelen is het zeer de vraag of een substantieel hoger aandeel van de Europeanen meer zal willen betalen.

De waterstofeconomie zal alles veranderen

Misleidend. De zogeheten waterstofeconomie heeft velen optimistisch gemaakt over onze energietoekomst. Het idee is dat wij op energiegebied onafhankelijk zouden kunnen worden van fossiele brandstoffen en geïmporteerde olie door technologieën te ontwikkelen als bijvoorbeeld brandstofcellen met een hoog rendement, waardoor het mogelijk zou zijn schone energie te halen uit waterstof in plaats van uit aardolie en aardgas. Waterstof is er natuurlijk in overvloed, want iedere watermolecuul bevat twee waterstofatomen. Maar waterstof is wel een brandstof die eerst moet worden gemaakt. Waterstof kan uit water worden gehaald (door middel van elektrolyse, waarvoor stroom nodig is) of rechtstreeks uit aardgas (met behulp van een omvormer). Zelfs als wij aannemen dat brandstofcellen tegen een concurrerende prijs zouden kunnen worden gemaakt en dat er een infrastructuur voor de distributie van waterstof zou kunnen worden opgezet – denk eens aan de kosten om alle benzinestations te vervangen door waterstofstations –, dan nog zou er aardgas of door middel van steenkool of kernenergie geproduceerde stroom nodig zijn om die waterstof te maken. Als de stroom die nodig is om waterstof te maken wordt opgewekt met behulp van uit Qatar ingevoerd aardgas, voorzien de VS toch niet beter in hun eigen energiebehoefte? Als de stroom wordt geproduceerd door kolencentrales met een hoge uitstoot, hoe kan waterstof dan beter zijn voor het milieu? Het droombeeld van een waterstofeconomie lost onze energiedilemma's niet op, het vertroebelt ze.

Nieuwe energietechnologie wordt onze redding

Op de lange duur. In de komende twintig jaar mag energie-zelfvoorziening dan een schone droom zijn, het lijdt geen twijfel dat nieuwe technologieën uiteindelijk grotendeels in onze energiebehoefte zullen voorzien. De kosten van energie-opwekking uit wind zijn de afgelopen twintig jaar met zo'n 80 procent gedaald, en de kosten van zonnestroom zijn gedaald van krap 1 dollar per kilowatt naar nog geen 18 dollarcent. Dankzij deze toegenomen efficiëntie zijn de wind- en zonnemarkten wereldmarkten geworden, waarin miljarden dollars omgaan. De markten voor zonne- en windenergie en brandstofcellen zullen naar verwachting groeien van een geschatte 16 miljard dollar in 2004 naar 102 miljard in 2014. Voor het eerst zijn er ettelijke ondernemingen die echte producten verkopen op basis van brandstofceltechnologie. De Deense windturbineproducent Vestas Wind Systems had in de eerste helft van 2005 bijna 1,7 miljard dollar aan inkomsten – een stijging van 47 procent ten opzichte van dezelfde periode in 2004. Er zijn nu bedrijven die zich uitsluitend bezighouden met het onderhoud en het tanken van voertuigen die op aardgas rijden, of met het ontwikkelen en installeren van zonnepanelen en windturbines.

De invloed van nieuwe technologieën begint merkbaar te worden, en hun aandeel zal in de nabije toekomst alleen maar groter worden. Maar voor een heldere kijk op veranderingen in de energievoorziening moeten wij denken in decennia en dienen wij oog te hebben voor de keuzes die moeten worden gemaakt. Om te beginnen zou het goed zijn om eens op te houden met ondoordachte verhalen over energie-zelfvoorziening.

De eerstkomende twintig jaar is er geen zicht op de mogelijkheid dat wij onze afhankelijkheid van energie kunnen inperken, maar het lijdt geen twijfel dat nieuwe technologieën uiteindelijk grotendeels in onze energiebehoefte zullen voorzien.

Partner van NGP Energy Technology Partners, een particuliere beleggingsmaatschappij die investeert in bedrijven die technologie voor de energie-industrie ontwikkelen.

© Foreign Policy Magazine. www.foreignpolicy.com